Voor u ligt de nieuwe Ratel, de eerste van het winterseizoen 2008. Op het moment dat u dit leest, is de eerste activiteit van het seizoen is al weer achter de rug, namelijk de excursiedag van onze kring naar Enkhuizen en het Zuiderzeemuseum. Ditmaal werd deze dag verzorgd door Michel Heemskerk met ondersteuning van Ria Westland. Het was een zeer geslaagd evenement, mede door het weer dat geweldig meewerkte. Op de website van de Kring kunt u een aantal foto's bekijken.
Dan volgt de Huizerdag waarop de Historische Kring traditiegetrouw weer prominent aanwezig is met een programma rondom de Oude Kerk. De toren kan worden beklommen, de kerk zelf bezocht en de Klederdrachtgroep manifesteert zich rondom de kerk en op de markt. Op 20 september heeft de Historische Kring een kraam op de Bottermarkt en zal onze klederdrachtgroep presentaties verzorgen rondom de nieuwe botterwerf. Deze Huizer Botterdagen worden mede mogelijk gemaakt door de werkgroep Visserij van onze historische kring.
Onze eerste ledenavond vindt op 7 oktober 2008 plaats, in de Boerderij. Het onderwerp betreft
Amsterdam, dat zich spiegelt aan Rembrandt in vertellingen en liederen over Rembrandt in zijn Amsterdam, omlijst met beelden van toen en nu. Het belooft een boeiende avond te worden. Datzelfde geldt voor onze tweede ledenavond op 25 november, met dia's van Huizen, 'oud en nieuw' door Pieter van der Poel. Het bestuur hoopt u op deze en onze overige avonden graag te zien.
Een verheugende mededeling is verder nog dat de Rabobank Noord Gooiland € 2.475,00 heeft toegekend aan de Historische Kring Huizen voor de uitgifte van een boek over de Huizer botter HZ 45; dit op basis van de artikelen van Dick Schaap hierover in de Ratel. Door deze gift hopen wij dat het boek in oktober a.s. al uit kan komen. De Historische Kring Huizen is de Rabobank Noord Gooiland dan ook dankbaar voor dit mooie bedrag.
Met vriendelijke groeten namens het bestuur,
B.J. van Geenen, voorzitter

UITNODIGING VOOR ONZE LEDEN
3 oktober    20.00 uur    een lezing over "het Bos van Blaauw", de buitenplaats Gooilust waar rond 1900 de excentrieke Frans Ernst Blaauw zijn verzameling bijzondere dieren en planten bijeenbracht. De lezing zal gegeven worden door de heer A. Coops, auteur van het boek "Het bos van Blaauw". De lezing wordt georganiseerd door de Daniel Stalpaert stichting, welke als doel heeft de historische kerk in 's-Graveland, die stamt uit 1658, en de bijbehorende pastorie te helpen onderhouden. Plaats: Hervormde Kerk in 's Graveland.
    DE RATEL / SEPTEMBER 2008    3

In dit nummer krijgt u: een stuk ontstaansgeschiedenis van IJmuiden (zie ook het artikel over de familie Westland uit Huizen die naar IJmuiden trok), een brief uit 1979 van de heer L. Veerman gericht aan de Dialectwerkgroep, de geschiedenis van het Oranje Weeshuis uit 1944 (onbekende auteur), een beschrijving van de ontwikkeling van de Huizer klederdracht door W.J. Rust uit 1943, een korte geschiedenis van de St. Vituskerk in Elten en nog wat geschiedschrijving van de hand van Lambert Rijksz. Lustig, schepen van Huizen in de 17e/ 18e eeuw, via Harmen Kos. Tenslotte nog een foto van een onbekende boerderij en de puzzel. Kortom, een blad vol geschiedenis van Huizen.
Veel leesplezier gewenst,
Wendy van Noppen

beschrijving uit het Aardrijkskundig Woordenboek van 1942
In het vorige nummer las u een verhaal over de Huizer familie Westland die in de jaren f920 naar IJmuiden trok. Tussen haakjes: in de familie Westland uit IJmuiden en Huizen heeft het artikel de ronde gedaan. Men vond het leuk! Maar wist u dat IJmuiden pas in 1876 gesticht werd en een verzonnen naam kreeg? De naam is voorgesteld door Prof. Vissering. A/ in 1848, lang voor het graven van het Noordzeekanaal, publiceerde deze journalist (later hoogleraar en minister in het Kabinet van Lynden van Sandenburg) een artikel waarin hij een bootreis van Amsterdam naar "IJ-muiden" beschreef. Nadat het kanaal in f876 voltooid was, werd de nieuwe plaats die toen ontstond als eerbetoon aan hem IJmuiden genoemd. De hieronder volgende informatie komt uit: Van Goor's Aardrijkskundig woordenboek van Nederland, samengesteld door K. ter Laan en anderen (uitgave 1942). Red.
IJmuiden, met de Rijksvissershaven, waar de stoomtreilers de vis aan de afslag brengen; de Rijksvishallen zijn de hoofdmarkt voor verse vis: schelvis, kabeljauw, schol. De voorhaven van Amsterdam, "de mond van het IJ", d.i. van het Noordzeekanaal, onder Velzen. Moderne kunsthaven tussen 2 havenhoofden van beton van 1500 m; twee vuurtorens geven de richting van de scheepvaart aan. Verdedigd door een fort. Grootste schutsluis der wereld, de Noordersluis.
IJmuiden heeft 250 stoomtreilers voor de visvangst; ook andere schepen brengen hier hun vangst, uit binnen- en buitenland; opbrengst f 14 miljoen in 1930. De visserij leed sterk onder de crisis; in 1935 voeren nog geen 100 schepen uit ter visvangst.
IJmuiden, gesticht in 1876 bij de opening van het Noordzeekanaal, telt 29 000 inw. Er is ook veel industrie. Aan de N. zijde van het Noordzeekanaal, in de oude Breezaap, de hoogovens en de Centrale van het Prov. Electrisch Bedrijf. Spoorverbinding over Haarlem met Amsterdam.
Te IJmuiden woont 2/3 gedeelte van de bevolking van de gemeente Velzen. IJsfabrieken, koelhuizen. Tussen IJmuiden en Velzen de nieuwe woonwijk IJmuiden-Oost, vroeger Velzeroord geheten.

VATVDE BUIZER DIALECTWERKGROEP
In het archief vond ik een brief van 30 juli 1979. Hij was gericht aan de Dialectwerkgroep en geschreven door de heer L. Veerman (Lammert), destijds wonende Dr. A. Kuyperlaan 8, 1272 HR Huizen. Wellicht is er nog familie van hem bekend bij leden van de Historische Kring. Er is toen zowel telefonisch als schriftelijk gereageerd.
Er staat echter in de brief een heleboel interessante informatie, die nooit gepubliceerd is. Vandaar dat ik u deze brief niet wil onthouden. Hij volgt hieronder.
Ineke van Herwerden
    L. Veerman    Huizen,    30 juli 1979
Dr. A. Kuyper laan 8
1272 HR HUIZEN
Aan de Hui zer Dialect Werkgroep, p/ a NoLens1aan 3
    1272     HUIZEN
Geachte Dames en Heren,
       Met grote belangstelling en waardering heb ik uw boekje "Huizen, hoo 't vroger was" gelezen en herlezen.
       Hoewel het u reeds geheel of gedeeltelijk bekend kan zijn, meen ik toch enkele opmerkingen, in bijzonder over "de duitse kruiers" te moeten maken om de verhalen wat aan te vullen, waar — van u dan bij een eventueel volgende druk gebruik zou kunnen maken.
Het betreft dan het navolgende.
Ie. Er bestond vroeger voor nichten en neven ook de zgn.    grij ze rouw" te onderkennen aan het jak en de jurken van de vrouw resp. van de kinderen. Er werd dan alleen 's zondags •ge— rouwde
2e. Zelf heb ik als jongen veel gedaan aan garnalen trekken en daarvoor de twee laatste jaren een consent gehaald, maar dat was in mijn H.B.S.—tijd (Laatste jaar 1925) . Het concent moet dus zijn ingevoerd in 1923 of in 1924.
3e. Er werd vroeger wel degelijk kermis in 't dorp gevierd; ik meen op de 2e of 3e maandag in augustus. T k heb het zelf niet meegemaakt maar van horen —zeggen. Vermoedelijk is de kermis afgeschaft of in verval geraakt in de tijd dat ook de arbeid op zondag werd gestaakt.
4e. De hangebazen en wat daarmede samenhangt, waarover eerst een stukje geschiedeni$. De hangen van Willem (van IJ z ik) Veerman aan de Valkenaarstraat, Vij fhoekstraat en P, . Luden— weg was voordien van Willem — en Lammert (van IJ z ik) Veer — man. Lammert Veerman, mijn grootvader is op jonge leeftijd verongelukt op de Torenlaan bij het wegbrengen van vette kalveren naar Hilversum. Zij hadden de hangen overgenomen
van
van mijn overgrootvader IJ z ik (van Lammert en Ij z ik) Veerman die toen woonde naast de hangen thans perceel Vij fhoekstraat 25 alwaar een van mijn broers thans een slijterij heeft.
  Toen mijn grootvader ging trouwen werd voor hem op de I' kamp" een woning met boerderij gebouwd (1875) en enige jaren later ook één voor Willem (van IJ z ik) .
  Veel later hebben de wethouders Schaap en Kos nog ge— tracht het verbindingsweggetje langs de hangen tussen de Valkenaarstraat en de Vij f hoek straat, de "Veerman —weg" te noemen, maar de familie was daartegen.
  Lammert en IJ z ik gingen ook regelmatig mee met de schui— ten (ze hadden er twee) om vis te kopen op de Zuiderzee. De vangst werd door hen zelf verkocht d.w.z. eens per week gingen ze    ieder met een It bottekarre    (een huifkar op 2 wielen) — naar Gouda en Gorinchem. Ze vertrokken 's avonds Iaat om tijdig 's morgens ter plaatse te kunnen zijn.
  Zo mij later (+ 1930) zelf door verschillende oudere boe— ren aan de weg van Hilversum naar Utrecht werd verteld, trok dan een stoet van wagens voorbij onder Luid psalmgezang. Dat konden ze natuurlijk de gehele rit niet volhouden; ze vielen vanzelf in slaap, maar de paarden kenden hun eigen route en brachten ze veilig op hun bestemming of bij de eerste herberg die 's morgens vroeg open was.
  Mijn vader moest al op een leeftijd van circa 10 jaar mee om vis te verkopen. Daarvoor werd een kruiwagen met de prie— men vastgebonden onder de kar aan de wagenas. Onderweg nog in de nacht werd dan ergens gestopt, de kruiwagen losgemaakt en vol geladen met mandjes vis en dan lopen naar een bepaalde plaats om de vis te verkopen. (de plaatsnaam ben ik helaas vergeten) . Tegen het eind van de middag op een afgesproken tijd moest hij zorgen weer op dezelfde plaats te zijn waar hij was afgezet om mee terug te rijden.
   In de haringtijd waren de eerste spie ters de vrouwen van de hangebazen, dus mijn grootmoeder en Marremeut, de vrouw van Willem (van TJzik) . Langzamerhand is dat wel veranderd maar op zondag waren ze nog lang de eersten.
Vroeger werd er ook op zondag gewerkt; het tanen van de netten gebeurde toen ook op zondag.
Met

- 3 -
  Met dit verhaal wil ik alleen aantonen dat het in ons dorp vroeger net zo was als in geheel Nederland n.l. dat om niet arm te blijven, meer dan één ambacht moest wor— den uitgeoefend.
  Ook de hangen of rokerij gaf destijds onvoldoende in— komsten op jaarbasis want anders had mijn overgr.ootvader voor zijn zoons geen boerderij laten bouwen en gingen zij zelf niet de zee op en zelf niet de vis verkopen aan con -sumenten. Deze vis verkopers met de "bottekarre" waren m.i.
de grootste visventers, waaruit de beroepsmatige visventer in de grote steden is ontstaan.
  Uit mijn verhaal mag ook niet de conclusie worden getrok— ken dat alle hangebazen, boer en vishandelaar waren. Verschil 1 ej de hangebazen waren b.v. tevens bakker. De familie Schaap leg — de zich toe in het bouwen van huizen voor zichzelf en voor ver — huur (met zoveel mogelijk woningen) . Beide bouwstijlen zijn nog steeds terug te vinden. Voor iedere hangebaas gold evenwel de regel of hij buiten het haring seizoen en eventueel de ansjovisvangst nog verlegen was om aanvullend werk in de zomer.
  De meeste armoe werd naar mijn mening geleden onder degenen die geen vast werk hadden en de vissers die de gehele week van huis waren en volledig van de zee afhankelijk. De boer voelde zich dan ook veel belangrijker dan de visser en daarom bestond er tussen de boeren en de vissers een zekere vijandschap, vooral tussen de jongeren wat zich openbaarde in vechtpartijen als op de zaterdagavond in de café' s of wat daarvoor doorging waarvan er destijds (v66r 1903) veel te veel waren.
  De hangen of de rokerij is naar mijn mening pas van beteke— nis geworden toen de export naar Duitsland op gang kwam (+ 1880 Na de frans—duitse oorlog van 1870 en de eenwording van het duit se rijk, begon de industrie in het Roergebied tot ontwik— keling te komen. De arbeiders verdienden naar de tijd gemeten, goed en er was volop werk, zodat ook wat meer kon worden uitge— geven voor consumptieve doeleinden.
5e. De duit se kruier.
  Uw verhaal over de duit se kruider Iaat u beginnen zo onge-veer 40 jaar geleden maar toen was het in feite al afgelopen; zelfs de gezinnen die uit armoe om reiskosten en logiegeld te

besparen
DE RATEL / SEPTEMBER 2008    7
besparen, in duitsland waren gaan wonen, waren toen alweer in Huizen teruggekomen.
  In 1926/1927 ben ik een keer of drie meegeweest en heb ik het duitse—kruierschap aan de lijve ondervonden. Toen zat de klad er al in, maar ik heb grote bewondering gekregen voor de wijze waarop de goeie verkopers zich konden handhaven en al— tijd nog/ brutowinst van meer dan 200% konden maken.
  Afgezien van hun levenswijze in duitsland en in Huizen, zijn zij van grote betekenis geweest voor de Nederlandse economie, want zij — de blauwkielen zoals ze in Den Haag werden genoemd hebben de duitsers hollandse kaas Ieren eten en daarmede de grondslag gelegd voor de kaasexport naar duit SI and die momen— teel circa 100.000 ton per jaar beloopt. In mijn tijd werd dit in officiële zuivel kringen in Den Haag dan ook aLgemeen erkend. Niet de kaasexporteur, want de kaas werd toen door de groothan— del aar naar Duitsland verzonden op aanwijzing en op naam en voor rekening van de duitse kruier.
  De duit se kruier met een blauwe kiel aan, die van boven ge— s Loten was met een knoopje en los over. de broek hing en de blauwe kaas zak over de schouder en een duit se pet op met glad — de klep, moet circa 1880 zijn ontstaan en eerst gericht zijn geweest op het Roergebied om dezelfde reden als hiervoor reeds is aangegeven.
  De zeer goede verdiensten deed velen volgen maar niet iedereej kon het volhouden, want er werd veel gelopen, voor sommigen
(vooral vissers) teveel, meer dan hun voeten konden verdragen. Zij waren dan genoodzaakt naar hun oude beroep terug te keren.
  De duitse kruiers konden uiteraard niet allen naar het Roer — gebied want dan werd de spoeling te dun, maar dat was geen pro— bleem omdat geheel Duitsland afzetgebied werd waarbij ze af en toe in streken kwamen waar de boeren nog nooit van kaas gehoord hadden. Dit werd bij toeval ontdekt toen ze in hun hotelletje kennis maakten met de stamgasten uit de plaats en omgeving en nu onder het genot van hun biertje kaas konden proeven, meestal 's avonds of op een bijzondere dag.
  Dergelijke voorvallen werden in Huizen met veel verve ver — tel d, maar 't was natuurlijk onzin dat de boeren nog nooit van kaas gehoord hadden; wé1 dat de boeren de hollandse kaas (het platte Gouda —model) niet kenden en ook nooit geproefd hadden.
- 5 -
  De kruiers zijn zelfs in Danzig, Koningsbergen, Letland en in Litauen geweest. Ook begonnen zij zich te special i— seren d.w.z. als ze in een streek kwamen waar ze hun waar vlot konden afzetten dan bleven ze daar; anderen legden zich toe op de kaas verkoop aan kuuroorden of aan hotels in badplaatsen aan de Oostkust.
  De kruiers die door Duitsland trokken, hadden tenminste één "maat" (compagnon) want samen was het uiteraard wat gezelliger en samen konden ze de kaas beter versjouwen vooral als een enkele keer moeilijkheden met de politie ontstonden.
  Om kaas te mogen verkopen had men namelijk een vergunning (Gewerbeschein) nodig die door alle provincies (Bezirken) voor het eigen provinciaal gebied werden afgegeven en een geldigheidsduur hadden van één jaar. Deze vergunningen we r — den evenwel aan buitenlanders in beperkte mate verstrekt. Om een nieuwe vergunning los te krijgen werd omtrent de jaar — wisseling soms meer dan één reisje naar een bepaalde provin— ci ale hoofdstad gemaakt.
  Met deze vergunning voelde men zich ook buiten de provincie van afgifte veilig want over het algemeen had de politie er geen verstand van. De vergunning werd dan z6 gevouwen dat al— leen de persoonsgegevens en de pasfoto zichtbaar waren; waar — mede de politie akkoord ging. De meeste kruiers kwamen dan ook nooit in de provincie waar de vergunning geldigheid had, tenzij b.v. de voorgenomen reisroute daar doorheen liep. Liep de con — trol e verkeerd af dan trok men verder dan de directe omgeving e was er een verloren dag. Men ging er vanuit dat in zo'n geval de politie ook de omringende gemeenten waarschuwde.
  Niet ter zake maar wel interessant is het feit dat ik tijdens de bezetting bij controle van de autopapieren door de gewone duit se soldaat, altijd mijn persoonsbewijs afgaf en hij daarmede om de auto heen liep en de zaak in orde bevond! Of was het uit ontzag voor het duit se stempel op mijn
  Met bovenstaande hoop ik uw kennis van Huizen wat te hebben aangevuld, misschien om t.z.t. enkele feiten nader vast te

leggen.
Hoogachtend,
e--òt---v--v/
DE RATEL/ SEPTEMBER 2008    9
HETORANJEWEESHUIS - EEN HUIZER MONUMENT
ledere tweede zaterdag van september is het Open Monumentendag/Huizerdag. In een verzameling knipsels die wij van Aartje Kruijning-Teeuwissen kregen (waawoor onze hartelijke dank) vonden wij het volgende krantenartikel. Uit de kopie blijkt niet uit welke krant dit komt en wie de schrijver was, maar het is in f944 geschreven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Weeshuis. Red.
Gereform. Oranje-VVeeshuis.
1869 -1944
Geschiedenis der stichting van het Huizer Weeshuis.
HUIZEN. Buiten raadhuis en kerken telt Huizen slechts één monumentaal gebouw, het Geref. Oranje Weeshuis, dat naast de oude pastorie door zijn massale bouw, opvallenden gevel met nis en beeltenis, bordes en rustiek ijzeren hek, dadelijk de aandacht trekt. Buiten gemeentelijke en kerkelijke instellingen zal 't dorp Huizen wel geen stichting kunnen aanwijzen, die op een 75-jarig bestaan kan bogen en waar het Geref. Oranje Weeshuis een zôô nobel philantropisch doel nastreeft, en in deze moeilijken tijd de zorg op zich heeft genomen voor een 40-tal weezen, is er alle reden, nu de driekwart eeuw dit jaar worden volgemaakt, eens een artikel aan "'t Weeshuis" te wijden.
Hoe wonderlijk het ook moge schijnen — een groote ramp kwam over een deel van ons land — de watersnood van 1861 hangt zeer nauw samen met het ontstaan van dit toevluchtsoord voor ouderloozen. De wijze, waarop Koning Willem III had bijgedragen tot leniging van dien watersnood, leidde er toe, dat een Comité te Utrecht het plan opvatte — en uitvoerde — den Koning een Nationaal huldeblijk aan te bieden in den vorm van een prachtig bewerkten Statenbijbel met lezenaar (een afbeelding van dien bijbel prijkt in den Weeshuisgevel, tusschen de beide weezenfiguren). Het initiatief hiertoe ging uit van den heer J.L. Bernhardi te Utrecht, schrijver van de toen veel gelezen Chr. volksbladen: "Samenspraken", die in dit periodiek later ook de stichting van het Huizer Weeshuis krachtig heeft bepleit en tot zijn dood deel uitmaakte van het bestuur.
Teruggekeerd van 's Konings paleis, waar de overhandiging van het Nat. huldeblijk had plaats gevonden, kwam de "Commissie voor de aanbieding" in voltallige zitting bijeen en besloot — waar er nog gelden van het "Huldeblijk" over bleken, de gebeurtenissen van 1861 (watersnood) en 1862 (Bijbel) door een monument aan de vergetelheid te ontrukken en besliste, dat het schoonste gedenkteeken ter herinnering aan de jaren '61 en '62 zou zijn:
Een Oranje Weeshuis te Huizen (bij Naarden), opdat alzoo arme weezen de vruchten zouden plukken van de liefde des Konings tot zijn Volk en die des Volks tot zijn Koning.
Daarmee is het dubbeleyerband met de historie der beide genoemde jaren wel zeer duidelijk gelegd. Om te begrijpen, hoe hier van de stichting van een "Oranje-VVeeshuis te Huizen" kon sprake zijn, moet men nogmaals teruggaan tot den winter van 1860-'61, die bijzonder streng was en door enormen ijsgang op de rivieren de catastrophe in den Bommelerwaard en N.Brabant had veroorzaakt, maar ook voor anderen, inzonderheid voor de visschers van Huizen zeer treurige gevolgen had.
Het Gedenkschrift der Stichting deelt hieromtrent mede. "De Zuiderzee was voor een goed deel toegevroren en zoo stond de broodwinning der Huizenaars stil. Klachten over den nijpenden nood kwamen bij een aanzienlijk heer, die, met het lot der noodlijdenden begaan, den heer

Bernhardi te Utrecht een aanzienlijke som geld ter hand stelde, om daarmee naar Huizen te gaan en zooveel mogelijk den nood te lenigen."
De z.g. Watersnoëd Bijbel
Het meegebrachte geld was door den heer Bernhardi spoedig uitgegeven; hij hield zelfs niets over om op de terugreis de tol te betalen. Kort daarop toog hij, gevolgd door een paar wagenvrachten kleeren, dekens, enz., opnieuw naar Huizen, om die aan de armen uit te reiken.
Intusschen bevond B., dat in dit dorp het meest te beklagen waren: de weezen die onverzorgd achterbleven. Voor een kleinigheid — soms voor 25 cent per week — uitbesteed bij arme lieden, werden die kinderen uitgezonden om te bedelen; in den winter van 1861 waren er zelfs te Maartensdijk van die Huizer weezen bedelend gevonden.
Mocht al voorloopig in de dringendste behoeften der ouderloozen voorzien zijn, het lot dier arme zwervers liet Bernhardi niet met rust. In zijn plan tot aanbieding van den Statenbijbel zegt hij reeds: "Als ieder voorstander daarvan .... 2 cts geeft, dan zullen we nog wel wat voor Huizen overhouden". In zijn weekblad wordt de rubriek Huizenaren vervangen door: "Weduwen en Weezen" en gaandeweg werden zijn gedachten geleid in de richting van de "Stichting van een Weeshuis" te Huizen. In no. 95 van genoemd blad wordt van die oprichting het eerst gewag gemaakt en gezien de instemming met dit plan, krijgt het geleidelijk meer vastheid.
Een half jaar later ontvouwt hij definitief zijn plannen en zegt: "Te Huizen is dringend behoefte aan een Weeshuis — God is een Vader der weezen en een Man der weduwen, welnu — er zitten in Huizen zooveel weezen, die geen verblijfplaats hebben, ontfermen wij ons over die weezen, er moet daar een weeshuis komen".
In no. 133 van 't Blaadje staan al de eerste giften voor het op te richten gehuis, dat eerst den naam kreeg van "Willems-Weeshuis". Nu werden lijsten gereed gemaakt ter inzameling, collecten gehouden, (o.a. bij de bezichtiging van den Staten-Bijbel) en met moed toog men op onderscheidene plaatsen aan het werk.
Van de bijdragen voor 's Konings geschenk resteerde een bedrag van f 1483, dat al dadelijk voor den bouw van een weeshuis bestemd en belegd, vermeerderd werd met de wekelijks binnenkomende gaven. Toen de inteekenlijsten binnen waren, werd een Weeshuisbouwplan overwogen en kwam een Commissie voor de Stichting, waarvao als penningmeester optrad de 'heer S.N. Welter. Deze werd later secretaris, de heer P.
v.d. Bosch penningmeester, terwijl Oranje weeshuis ook de heer G. Kohlbrugge te Vianen toetrad. Ziel van de actie bleef Bernhardi en met de opname van den heer H. v. Heumen te Delft was het eerste Hoofdbestuur compleet.
Intusschen groeide het stichtingsfonds slechts langzaam aan; bedelen wilde Bernhardi niet, al smartte het hem, dat in Huizen "een 50-tal weezen door doodarme menschen worden verpleegd". Geleidelijk steeg het bedrag tot het benoodigde om een flink stuk grond te koopen en zoo formeerde zich de Stichtingscommissie voor een Geref. Oranje-Weeshuis. (Gereformeerd hier in de zin van Orth. Herv.) In Aug. 1863 kon met den onderbouw (fundamenten, kelders enz.) worden begonnen, na een gift van f 1000. Aug. 1864 wordt de eerste steen gelegd voor den bovenbouw en einde '64 is het gebouw onder de kap. Blijkens financ. overzicht 1865 is f 18.000 ontvangen, waarvan uitgegeven f 17.006, zoodat slechts f 944 resteert voor de binnenbetimmering, die f 6000 eischt. Het duurde nog tot Jan. '68 vÔÔr het Weeshuis en omgeving geheel gereed was en Juli '69 namen de eerste Vader en Moeder hun intrek, n.l. P. van Dijk en VV. Kruiswijk uit Naarden. Voor de verdere exploitatie stelde de Commissie voor het Weeshuis door de Ned. Herv. Diaconie van Huizen te doen overnemen, wat na veel onderhandelen afsprong. De Commissie besloot nu het Weeshuis een "Stichting op zichzelf' te doen zijn, wat bij notarieele acte van 15/22 Juni '69 geregeld werd.

Onderstaande foto kwam ook tevoorschijn uit een doos met familiefoto's. lk heb een aantal mensen gevraagd of zij wisten waar deze boerderij gestaan had maar zonder succes. Misschien weet een van onze lezers hier wel antwoord op? Wendy van Noppen

Bij de knipsels van Aartje Kruijning-Teeuwissen vonden wij ook onderstaand verhaal van de heer W.J. Rust, uit het Nieuwsblad voor Huizen van 28 december f943. De heer Rust was een bekend schrijver over het Gooi, onder meer "De Gooische Dorpen" dat in 1943 verscheen in de Heemschutserie uitgegeven door Allen de Lange in Amsterdam. Beide illustraties komen uit dit boekje. Red..

Wij hebben onzen lezers een uiteenzetting van de oude Gooische kleederdrachten beloofd; hieraan voldoen wij thans.
Huizen heeft deze dracht het langst gehandhaafd. Des Zondags droegen de mannen een hoogen hoed met een breed zwart lint, waarvan de einden naar achteren afhingen. Verder bestond de Zondagsche dracht uit een blauwe borstrok met roode das, die door middel van gouden knoopjes werd vastgemaakt. Over den borstrok werd een aan de heupen uitloopend buis van bruin laken gedragen. Voorts droegen de mannen een korte broek met zilveren knoopen, blauwe kousen en lage schoenen, van breede zilveren gespen voorzien. Als teeken van rouw was het buis zwart en de das wit.
De dagelijksche kleeding der mannen bestond uit een gestreepte muts, roode of blauwe halsdoek, een ruimzittend buis van grove wollen stof, met blauwe omslagen, een korte broek van dezelfde stof, grijze kousen en schoenen met smalle zilveren of ijzeren gespen.
Het Zondagsgewaad der vrouwen bestond uit een muts met zilveren oorijzers en voorzien van gouden knopjes en naalden, een witten halsdoek over een jak van bruine gewerkte stof. Verder droegen zij een blauwen uitloopenden rok met grauwpaars boezelaar, blauwe kousen en lage schoenen met zilveren gespen. Inplaats van een muts droegen de vrouwen ook dikwijls een soort grooten luifelhoed van stroo, met zijden of katoenen voering en voorzien van breede zijden lint. De vrouwendracht door de week verschilde met die des Zondags in de stoffen.
De kinderen gingen ongeveer hetzelfde gekleed als de ouderen. De meisjes droegen echter uitsluitend mutsen en de jongens petten.
In het laatste kwart der 19e eeuw veranderde de Huizer dracht onder den invloed der toenmalige mode. De mannendracht werd zeer eenvoudig. De hooge hoed maakte plaats voor een zijden pet, de korte broek voor een lange dito. De zilveren knoopen en gespen verdwenen. Alleen het buis met blauwe omslagen bleef nog langen tijd gehandhaafd. In later tijd aangebrachte veranderingen hebben de Huizer mannendracht geleidelijk aan doen verdwijnen.
Huizer vrouwendracht in het midden der 19de
Huizer vrouwendracht van tegenwoordig.
De kleedij der vrouwen werd ook versoberd. Het zilveren oorijzer, de gouden knopjes en naalden voor de Zondagsche dracht zijn echter blijven bestaan. De luifelhoed ("Waterlands hoedje" in Huizen, zie ook noot hieronder, AKT) verdween geheel. Jak en rok werden anders van snit en stemmiger van kleur. Omstreeks 1900 heeft de vrouwendracht nog enkele wijzigingen ondergaan en is toen geworden zooals zij nu nog is. De muts wordt gekenmerkt door een breeden gesteven rand van kantwerk. De Zondagsche muts heeft bovendien een geplooiden achterrand. Als kenmerk van rouw is de mutsrand niet van kantwerk, doch geheel onversierd. De muts, die in Huizen algemeen "isabee" wordt genoemd, is wat den vorm betreft waarschijnlijk ontstaan uit den vroeger gedragen stroohoed. Het jak, voorzien van ballonmouwen, en de bovenrok zijn van een donker paars-bruine gewerkte stof. Bij rouwdracht zijn jak en rok van zwarte stof. Door de week dragen de Huizer vrouwen als schoeisel meest leeren muilen of trippen.
De nieuwere meisjesdracht was niet meer, zooals vroeger, ongeveer gelijk aan die der vrouwen. Het jonge meisje droeg een zwart strooien hoedje met een eigenaardig bewerkten fluweelen rand en bovenop het hoedje een of twee struisveeren. Verder droeg het meisje een meestal donker paars-bruine jurk met korte geplooide pofmouwen en daaronder losse mouwen van haakwerk met kraaltjes versierd. De jurk was grootendeels door een geruiten boezelaar bedekt. Bij het halfwassen meisje werd het hoedje vervangen door 'n zoogenaamde pikmuts. Sinds enkele jaren behoort de Huizer meisjesdracht tot het verleden.
De nieuwere dracht der jongens, vrijwel gelijk aan die der mannen, is al wel dertig jaar verdwenen.
Tenslotte willen wij nog iets mededeelen over de reeds vrij zeldzaam geworden kleederdrachten van Laren en Blaricum. Inderdaad moeten wij spreken van kleederdrachten, hoewel de dracht van Laren maar zeer weinig verschilt met die van Blaricum. Zoo heeft men in Blaricum het zoogenaamde jak met het lange gat, een strak, dikwijls gebloemd lijfje met een ruime strook. Aan het Larensche jak komt zoo'n strook niet voor. In tegenstellling met de stemmige dracht der Huizer vrouwen kenmerken de vrouwendrachten van Laren en Blaricum zich door grooter opschik en dus meer fleurigheid.
Er bestaan twee typen van mutsen. In de eerste plaats de z.g. vierkante muts. Deze wordt alleen gedragen door boerinnen. Op Zon- en feestdagen wordt onder de vierkante muts meestal een zilveren oorijzer gedragen. Meer welgestelde boerinnen dragen soms een gouden oorijzer. Het tweede soort muts, die men ronde muts of ook wel puntmuts noemt, behoort tot de dracht der arbeidersvrouwen. Onder de ronde muts wordt geen oorijzer gedragen, wel bij koude een blauwe of zwarte ondermuts.
W.J. Rust
* In de beginjaren 80 ontmoette ik een vrouw, die vertelde dat zij 't laatste Waterlandse hoedje opgestookt had in het wasfornuis.... Daarna heb ik er nooit meer iemand over horen vertellen uit eigen ervaring. Aartje. Kruining-Teeuwissen

Het Gooi was in de Middeleeuwen nauw verbonden met het klooster van Elten, gelegen in Duitsland vlak over de grens bij Nijmegen. Hieronder volgt een samenvatting van de geschiedenis van deze zogenaamde Stiftskerk gewijd aan St. Vitus in Hoch-e/ten — waar de vele kerken St. Vitus in het Gooi hun naam aan te danken zullen hebben. Mocht u een keer in de buurt zijn dan is het de moeite waard om deze kerk te bezoeken. Met dank aan Aartje Kruijning-Teeuwissen. Red

St. Vitus Hochelten (1100 - 1150) Toestand tot 1585.
Eltnon — Hoch-elten - wordt in 944 in een oorkonde vermeldt, die koning Otto, de latere keizer Otto de Grote, in dat jaar in de burcht van Hoch-elten ondertekende. Korte tijd daarna werd Wichmann van Gent als gouwgraaf van Hamaland en burchtheer van Hoch-elten genoemd. Toen de twee zonen van Wichmann op kinderleeftijd stierven, stichtte hij in 967 in Hoch-elten een 'Stift' of klooster voor hoogadellijke dames, naar het voorbeeld van de stiften in Essen, Gandersheim en Quedlinburg. Om te voorzien in het onderhoud kreeg het stift het grootste deel van de grafelijke bezittingen en rijke schenkingen van de Saksische keizer. Later werd door Otto de Tweede het stift rechtstreeks onder het keizerrijk geplaatst. Van de paus kregen de abdissen de rang van aartsdiaken met het recht van geestelijke en wereldlijke jurisdictie. De oudste dochter van Wichmann, Luitgard, was de eerste in de lange rij van deze vorstelijke abdissen. Zij trof op het gebied van de burcht drie sacrale ruimten aan, een 15 m lange houten zaalkerk, een ronde stenen kapel en daarbij aansluitend een kapel met galerij.

Na haar aantreden begon Luitgard direct met de bouw van een grote kerk, de vierde in Hoch-elten. Bij het oostkoor daarvan werden de drie kleinere kerken getrokken. Het werd uiteindelijk een langgerekte zaalkerk met plat dak en kale zijwanden die plaats boden aan schilderingen. Tegelijkertijd ontstonden aan de noord- en zuidzijde van de kerk woningen en een gemeenschapsruimte voor de stiftsdames.
Rondom 1100 begon abdis Irmgard aan de bouw van een Romaanse basiliek met drie schepen, gedeeltelijk op dezelfde plek van de oude kerk. Men bouwde van het westen naar het oosten, eerst de toren met zijn vijf etages en daarbij aansluitend de vier travees van het middenschip. In 1129 werd een altaar voor deze voorlopige kerkruimte gewijd. Tot 1150 bouwde men dwarsschip, koorkwadraat en de halfronde apsis voor het hoofdaltaar. De kerk kreeg verder nog zeven altaren. De totale lengte van de kerk bedroeg 63,5 meter.

De zware gewelven van mortelgietsel techniek bepaalden het karakter van de kerk. Deze baldakijnen brachten de druk over op de sterke hoekpijlers, met hoge zuilen en prachtige kapitelen. Lichte vierhoekige of cilindervormige pijlers droegen de tussenwanden. Onder de vensters in de hoogte waren kleine openingen, waaruit zich later het gotische triforium ontwikkelde. Alleen de noordzijde kreeg deze oorspronkelijke vorm.
In 1380 stortte de zuidelijke hoge muur in, maar werd in strenge gotische stijl weer opgebouwd. Men bracht houten ankers aan, die de zijwaartse druk van de gewelven opvingen. De noordelijke wand was al aanzienlijk uit het lood geweken, zoals men nog steeds duidelijk zien kan.
Tijdens ìde Tachtigjarige Oorlog werden de abdij en de kerk in 1585 door een troep huurlingen geplunderd en verwoest. De stiftsdames woonden toen 60 jaar in Emmerich. Voor de wederopbouw van de woningen werden de oostelijke delen van de kerk afgebroken.
De St. Vituskerk werd in de jaren 1670-1677 tot de halve grootte opnieuw opgebouwd. De abdis Maria Sophia von Salm-Reifferscheidt gaf daarvoor haar vermogen. Haar opvolgster bracht als dank het wapen van deze in 1674 gestorven gravin aan in het kerkportaal, op het hoogaltaar en aan de destijds gebouwde abdissenwoning, de huidige pastorie. De toren en de drie daarbij aansluitende traveen maken de huidige kerk uit. Tot de Tweede Wereldoorlog was de kerk nauwelijks nog als Romaanse basiliek te herkennen. Men had namelijk uit zuinigheidsovenNegingen het puin niet geruimd. Zodoende lag de vloer 70 cm boven het vroegere niveau, waren de gewelven meters lager, en had het schip geen hoge vensters meer. Het zuidelijke zijschip werd niet meer opgebouwd en de zuidwand kreeg grote gotische vensters.
Voor de verkleinde kerk schiep meester Wambach uit Anholt in 1675-1677 het barokaltaar. Naast het schilderij van de kruisiging (dat na de Tweede Wereldoorlog door Bernd Terhorst opnieuw geschilderd werd) staan de meesterlijk uit hout gesneden beelden van de kerkpatroon St. Vitus en zijn leraar Modestus. Boven het altaar tronen de symbolen van geloof en hoop met kruis en anker. Ook de verheven Pieta in een nis in de achterwand stamt uit deze tijd. In de 18e eeuw maakt Jacob Courtain het orgel.
Tot de inventaris van de kerk behoort een beeldhouwwerk in het linker zijschip. Het werd in de 12e eeuw als Madonna met het Jezuskind gemaakt, maar in de 17e eeuw omgevormd tot een bedevaartsbeeld van de wonderdoener Machutus die een ziek kind op zijn schoot heeft. Machutus werkte in de 7e eeuw in Bretagne en Normandië als missionaris en in die streken zijn aan hem (de heilige Malo of Maclou) vele kerken gewijd. En nog altijd komen moeders met zieke kinderen naar Hoch-elten om de voorbede van de heilige af te smeken. In de vitrine bij de ingang van de kerk ziet men een keuze uit de relikwieën van de kerk. De originelen bevinden zich in de schatkamer van de St. Martinuskerk in Emmerich. Verder is de "Koepelrelikwie" een van de kostbaarste stukken in het Victoria en Albert Museum in Londen.
In 1802 verloor het keizerlijke Rijksstift Hoch-elten zijn soevereiniteitsrecht en werd Pruisisch staatsbezit. Een nicht van de koning, de 18-jarige vorstin van Radzivil, werd abdis - onder protest van de Stiftdames. In 1805 kwam de Kreis Wesel met Hoch-elten aan Frankrijk. De nieuwe landsheer Joachim Murat, groothertog van Berg, maakte zijn negenjarige dochter Lâtitia tot de 32e en laatste abdis. Napoleon verordonneerde in 1811 de definitieve opheffing van het Rijksstift en de stiftskerk werd parochiekerk van Hoch-elten. Uiteindelijk werden de abdijgebouwen, die op oude gravures een indrukwekkende indruk maken, in 1832 voor de sloop verkocht.
In maart 1945 werd de kerk door artilleriegeschut van Canadese eenheden vanuit Kleef zeer zwaar beschadigd. De zuidwesthoek van de toren, het dak en het gewelf van het middenschip stortten in. Niet weinigen dachten na het einde van de oorlog aan sloop van de ruïne. Dr. Jan

Hermann van Heek, de slotheer van 's Heerenberg, bracht samen met baron van Lochner, de architect P.M. van Aken, meester-schrijnwerker Dôrning en meester-metselaar Hansen de wederopbouw op gang, te beginnen met de beveiliging van de toren. De Nederlandse regering, het Land Nordrhein-Westfalen en het diocees Münster droegen bij aan de kosten. Door voortreffelijk werk van Monumentenzorg en sinds 1963 de Duitse denkmalpflege werden de fouten van 1671 hersteld en het zijschip aan de zuidzijde opnieuw opgebouwd.
In 1967 kon gevierd worden, dat 1000 jaar eerder in Hoch-elten de noordelijkste van de Duitse Romaanse kerken aan de Rijn gewijd werd aan St. Vitus.
   LAMBERT RIJKSZ LUSTICH (1654 - 1727), SCHEPEN a-iü1zEN EN BEKEND HISTORIESCHRIJVER
(vervolg)
Een gestolen kind
In Lustich's Kronieken staat een verhaal over een gestolen kind, dit luidt als volgt:
'Omtrent den Jare 1646 doen is het alhier in den dorpe Huijsen gebeurt, hoe dat Geertje Melsen, de huysvrouw van Jan Jaap Jongerden, op eenen dagh soo als haar voorz. man om plaggen te halen in 't veldt was. Barensnood overquam enterwijl sij niemant bij haar hadde soo quam daar te selver tijt een schamele vrouw, met een mantje aen haar arm om een aelmoes aen de deur bedelen, aen de welcke sij versogt dat sij eenige Bueren mogt inhalen om haar te helpen dat sij Barensnoot hadde , de schamele vrouw segt tegens haar, dat sij haar wel kon helpen, sij komt in huijs, sij helpt haar, sij baart een kint, sij helpt de kraamvrouw te bedt, sij bakert het kint, sij wint het in doecken, sij gaater stilletjes mee heen, de voornoemde man komt met de wagen thuijs, hij vint sijn vrouw in 't kraambedde leggen, hij vragt na 't kint, sijn voornoemde vrouw, verhaalt de vorenstaande sake, de arme vrouw was met het kint wegh, men sogt de arme vrouw met het gestoleen kint eenige dagen met paarden, men vont niet, dese sake hebbe ik seer dickwijls mijn ouders en andere luyden die het beleeft hadden hoeren seggen. Het verhaal gaat verder:
'Omtrent den Jare 1710 doen was Rut Lamberts Doorn aen tol acker en willende van daer gaan soo vraagt een out schamel mannetje aen hem waar na toe, hij segt na Huijsen, wel segt het oude mannetje, ik ben ook een Huijser van geboorte, maar ik ben een gestoelen kint, waar op de voorz. Rut Doorn seijde kom ga mee ik houwe U geselschap, hij segt ik ken geen vrient of maagt ik ga niet mee, Rut Doorn segt hoe weet gij dat gij een gestoelen kint bent, hij segt dat sijn genaamde moeder te Middelborgh in Zeelant op haar sterfbedde leggende, niet kon sterven voor dat sij aen hem hadde gesegt, dat hij tot Huijsen geboren was, en dat sij hem daar gestoelen hadde. Rut Doorn thuijs gekoemen sijnde ende noijt van een soo gestoelen kint gehoort hebbende, vertelde dit aen mij, en andere oud luyden, die alle seer wel van dese geboorte en van dit gestoelen kint wisten, ja Lubbert Jacobsz., Peetje Lamberts, en Bijtje Willemse, alle in de 80 jaren out, weten grondig van dit gestoelen kint te spreken, want het in haar jonge jaren voorgevallen is'.
Op de vlucht naar Bunschoten
Een verhaal over de vader van het gestolen kind, Jan Jaap Jongerden, werd door Lustich als volgt beschreven:
Ja, de voornoemde Jan Jaap Jongerden en Geertje Melsen hebbe ik wel gekent, ja in de Jare 1672 doen Wiert dese Jan Jongerden in onse weijde, in de Haart, van sijn varre seerjammerlijck gestoeken, waarom wij sijn varre roors doot schoeten, dat hij bolleckte, en liep noch voor de stal, en viel daar doot'. 'Ja, omtrent den Jare 1630, doen raakte dese Jan Jongerden nogh jongelingh sijnde met een ander jongelingh die hals en hoofd grooter was als hij questij en gaf hij sijn partij een kleijnen snee agter in de pijp van sijn arm, also de maan daar in was, stierf sijn partij daar aen, hij vlugtede tot Bunschoten, het Wiert versoent. Hij trouwde van daar de voorzeide Geertje Melsen, alwaar, sijn Zijns Zoon en dogter, Klaas, Klaasje, noch vrienden hebbende van haar grootmoeders wegen'.
Uit de 'acta' van de kerkeraad.
Omdat er in het huis van Lambert Lustich gezelschappen werden gehouden door een zekere Jan Janszoon uit Naarden, werd dit in 1700 door de kerkeraad verboden. De kerkeraad steldedit als: 'Welcke eene formeele godstdienst practiseert. Als met psalmen te singen, het gebedt te spreecken, een text of sondagh uijt de Christelijke Catachismus te verklaaren, daarna wederom te bidden en den zeegen te spreecken'. De kerkeraad verboodt deze bijeenkomsten omdat 'veel volck ottrokken wordt' aan de gelijktijdig gehouden cathaisatielessen van de predikant, 'om reeden van nieuschierlicheijt'. De schout werd door de kerkeraad ingezet om deze Jan Janszoon — waarvan geen nadere gegevens bekend zijn — de toegang tot het dorp te verbieden, om zo het houden van gezelschappen tegentegaan. Ook Lambert Lustich werd door een afvaardiging van de kerkeraad aangesproken over zijn aanstoot gevend gedrag. Lustich belooft 'hoewel niet volmodigghlic, sigh voor ergernissen geven sullen te wachten'. Het blijkt later echter dat Jan Janszoon toch weer 'conventikels' ten huize van Lambert Janszoon heeft gehouden. Opnieuw wordt de schout — die blijkbaar aan de hand van de kerkeraad loopt — erop uit gestuurd. De schout zegt toe dat hij voortaan 'sulx verhoopt te verhinderen'. Het resultaat van zijn toezegging was afdoende: in de acta van juli 1700 staat, dat de samenkomsten nu we definitief zijn beëndigd.
Wordt vervolgd. Harmen Kos