Nu kan ik u melden dat de voorbereiding van de festiviteiten voor de viering van het 150-jarig bestaan van de haven van Huizen op 18 september a.s. op schema liggen. ledere maand is er een voortgangsvergadering en de aanmeldingen van de aangeschreven groepen beginnen binnen te komen. Het belooft een heel spektakel te worden!
Ook de voorbereidingen voor de viering van het 25-jarig bestaan van de Historische Kring Huizen zijn in volle gang. U weet nog wel, de datum daarvoor is 2 oktober 2004 en de lokatie de Boerderij aan de Hellingstraat. Alle werkgroepen van de Kring zullen in de Boerderij een expositie verzorgen van hun werkgebied en de Klederdrachtgroep zal in dracht aanwezig zijn. Meer over dit evenement hoort u na de zomervakantie.
Graag nodig ik u hierbij uit voor de jaarlijkse ledenvergadering op 18 mei a.s. in de Boerderij. De jaarstukken van de vereniging zult u apart ontvangen. Voor het programma na de vergadering tekent de heer Pieter van de Poel: hij zal dia's vertonen van oude foto's van de Oude Haven van Huizen.
Een onderwerp van helaas geheel andere aard is het tragische ongeval dat ons zeer gewaardeerd lid de heer Jacob Schaap op 5 maart j.l. overkwam. De heer Schaap was onder meer lid van de Archiefwerkgroep, waar hij de vraagbaak was voor zijn mede-werkgroepleden. Zijn overlijden is voor zijn familie een zware slag en wij wensen hen zeer veel sterkte met dit verlies.
Namens het bestuur graag tot ziens,
B.J. van Geenen, voorzitter

Ook de redactie van de Ratel wil graag even stilstaan bij het zo onverwachte overlijden van de heer J. Schaap op 5 maart j.l. Jaap Schaap heeft ons de laatste jaren zeer gesteund met zijn grote kennis van de geschiedenis van Huizen in de 20e eeuw. Regelmatig mochten wij op hem een beroep doen voor foto's uit zijn collectie als toepasselijke illustraties bij verhalen in de Ratel. We missen zijn meedenken en suggesties, zijn deskundigheid in bescheidenheid en vooral zijn vriendelijke persoon. Wij wensen zijn naasten veel sterkte bij het verwerken van zijn verlies.
In het voorliggende nummer van de Ratel, mei 2004, vertelt mevrouw Gerda van Zonneveld-Wouda hoe zij met haar broertje 60 jaar geleden, in 1944, door haar vader naar Staphorst werd gebracht, waar zij tot na de bevrijding bleven. Dan beginnen wij een serie van drie artikelen van de hand van de heer Dick Schaap naar aanleiding van een boekje met aantekeningen van Jacob Prins, de eerste havenmeester van Huizen. Het tweede artikel zal in het september-nummer verschijnen en het derde in december 2004. Verder treft u nu het (al in mei 2003 toegezegde) derde artikeltje aan van de heer P. Westland over Snoekbaarsvissen na de oorlog en een oproep van de Werkgroep Visserij om inlichtingen over scheepsrampen en namen van omgekomen vissermannen. Tenslotte als gebruikelijk natuurlijk ook nog de puzzel en de dialectwoorden.

Veel leesplezier gewenst, Wendy van Noppen
AGENDA
18 mei 2004 Jaarvergadering Historische Kring Huizen (in de Boerderij). Na de pauze vertoont de heer Pieter van de Poel dia's van oude foto's van de Oude Haven van Huizen.
1 1 september 2004 Open Monumentendag/Huizer Dag.
18 september 2004 Havenfeesten 150 jaar haven van Huizen.
2 oktober    2004 25-jarig bestaan van de Historische Kring Huizen (in de Boerderij).
3
SNOEKBAARSVISSERIJ NA DE OORLOG (DEEL 111) P. Westland
(deel I verscheen in de Ratel van februari 2003 en deel II in mei 2003)
Al vrij gauw kon men de haven weer uit, dus in het Naarder Hop verschenen weer snoekbaarsvissers. Toch waren er weldra uitvallers. De donkere jol van Gerrit Jan Opschepper - Schoolstraat - verdween al snel. 't Leuke blauwe jolletje van Gerrit van Schijtje raakte ook uit zicht. Zo ook het kleine bootje van de oude Hein Poet. Maar het was nog niet afgelopen met de kustvisserij, nog lang niet in 1945.
Mijn oom verschalkt met zijn kubboot nog heel wat baarzen. Ook Klaas de Biet, getrouwd met Jaan Hakken, komt nog vaak vissen met redelijk resultaat. Zijn mooie gele Staverse jol is al van verre herkenbaar. Soms toch bij redelijk weer gaat zo'n kustvaarder een stukje verder zee in om een botter aan te klampen. De bedoeling is om paling te kopen. Maar die is niet te koop beneden de prijs van de afslag. Geen nood, dan koopt men op zee "pieten", dat wil zeggen ondermaatse paling. Zoiets gebeurt in 1946-1947 meer en meer een eindje verder op zee.
Er verandert nog iets. De kleine boten worden steeds vaker gebruikt voor een soort excursies. Mijn oom Hain, in 1946 zevenenveertig jaar oud, krijgt verkering met Grietje van Jan Brands (Korsen). Wat gebeurt op een mooie zaterdagmiddag? Ome Hain neemt zijn aanstaande vrouw mee, haar beide zusters ook, en samen gaan ze een gezellig stukje varen. Niet dat de drie dames met hun Huizer mutsen op 't zo leuk vonden, want ze waren nog nooit van zijn leven, nog nooit zo dicht bij 't water geweest als met die kleine kubboot.
Op een zaterdagochtend komt Klaas Schaap bij zijn broer Harmen aan de Vissersstraat 22 en nodigt hem en Bet zijn vrouw uit voor een gezellige boottocht. Bet heeft het te druk en zegt dat ik beter mee kan gaan. En zo varen wij met die prachtig gele Staverse jol de haven uit. De wind is oostelijk en vrij zwak. Rustig varen we richting Urk, uren lang. Tenslotte zien we alleen nog een streepje van de Gooikust, dat zijn de bossen van Valkeveen. Ergens waar nu Lelystad ligt 'wainen' we, dat wil zeggen draaien we om. Laat in de middag zijn we weer in de Huizer haven. Zulke mooi-weer tochtjes worden steeds vaker gehouden. Er ligt ook al een modern jacht in onze haven. 't Heet 'Blem', tot mijn spijt weet ik de eigenaar niet meer.
Oom Hain die schik had gekregen in zijn tochtjes nodigde zijn zuster Jaantje uit de Wijgert Kooijlaan uit voor een avondtochtje. Ook haar man Lammert Snel was van de partij. Doel van de reis was Spakenburg. 't Weer was in feite te mooi. In de buurt van de Eem werd het 'blak', dat wil zeggen er was geen zuchtje wind meer. Om nog in de Huizer haven te komen moest de HZ 20 geroeid en geboomd worden. Dik over elven in het donker was de excursie voorbij.
Het fanatieke vissen op snoekbaars liep langzaam af. Je kon op de haven makkelijk aan vis komen, vooral de populaire 'pieten' waren goedkoop. Ook wij jonge jongens gingen soms spelevaren met een of andere roeiboot. Eind 1947 wou ome Hein zijn boot kwijt. Op de werf van Janus Kok zou de HZ 2() worden gesloopt. Maar de met zink verstevigde boot was nauwelijks te slopen. Redelijk gehavend maakte onze kubboot zijn laatste tocht de pier voorbij. Een paar kilometer noordwestelijk van de pier is de boot tot zinken gebracht. In 1948 was de kustvisserij zo goed als over. Een paar Huizer botters hielden de visserij op paling nog jaren vol. Velen herinneren zich nog vaag namen als Lammert Blessien, Jaap de Koeter en Jaap Koeman. De laatste maal dat ik mee ben geweest op snoekbaarsvangst was in augustus 1956. We gingen de haven uit met een schouwtje, en wel de Hoorn 1. En we haalden in het Hop wel acht perkjes netten op. Het aantal snoekbaarzen en rode baarzen dat gevangen werd viel wat tegen. De Hoorn 1 viste later meer bij Scharwoude in het Hoornse Hop en kwam niet meer in onze buurt. Véôr 1960 was de snoekbaarsvisserij definitief voorbij.
Wainen = wenden. Blak = windstil.

Op de volgende bladzijden vertelt mevrouw van Zonneveld over hoe zij met haar broertje in het laatste oorlogsjaar naar Staphorst werd gebracht door haar vader. Over de reis naar en de tijd doorgebracht in Staphorst heeft zij in mei 2000 in het tijdschrift 't Olde Stapperst, het kwartaalblad vand Historische Vereniging in de gemeente Staphorst, een artikel geschreven getiteld 'Opdat wij niet vergeten 1944'. Het onderstaande verhaal is deels gelijk hieraan, maar grotendeels voor lezers uit Huizen uitgewerkt. De illustraties zijn met toestemming overgenomen uit 't Olde Stapperst van mei 2000. Redactie

Gerda van Zonneveld-Wouda
't Werd er ook niet beter op. De dagen in 1944 werden steeds moeilijkeL Toen de aardappels schaars en steeds slechter van kwaliteit werden, konden we natuurlijk ook de schillen van de aardappels niet meer eten. Mijn moeder maakte in die tijd van wat ze dan nog kon kopen voor ons een aardappel-koek. Daar kreeg je dan een dikke plak van als je uit school kwam. We vonden het lekker en je had weer wat in je maag.
Op zekere dag hoorden we al heel vroeg in de morgen het gedreun van een naderende troep soldaten. Ze kwamen steeds dichterbij en uiteindelijk verspreidden ze zich in groepjes bij ons op het Grenspad en op het Zuidvogelsterrein. Er kwamen ook steeds meer gevechtswagens met gewapende soldaten. Zou de oorlog zich nu hier verder gaan ontwikkelen? Naar school hoefden we niet op zulke dagen. Je wist immers niet zeker of je ooit weer thuis kwam? De auto's van hoge officieren werden heel brutaal bij ons in de tuin gezet. 't Was wel moeilijk voor ons kinderen, want in die auto's lag lekker brood en boter en nog veel meer! "Afblijven hoor!" zei mijn moeder. " 't Zijn onze vijanden!"
Dat merkten we toen ook heel snel. Bij het afschieten van het zware mitrailleurvuur vanuit onze tuin. Geen ruit bleef die dag heel en ons prachtig gekleurde pannendak moest het zwaar ontgelden. Wij als kinderen kwamen er toen pas goed achter wat oorlog nu eigenlijk inhield. Al waren dit nog maar 'oefeningen'. Heimelijk dacht ik nog aan die lekkere soep. Had mijn vader toch gelijk, met dat pak slaag. Nu begreep ik het pas goed: 't waren onze vijanden. Deze 'oefeningen' werden nogal eens herhaald. Het doel was die oude Russische tank bij zee. Daar moest het schieten op geleerd worden .... Zo verstreken de weken en maanden.
't Ging niet langer meer bij ons thuis. Omdat mijn vader in het verzet zat, werd het voor hem ook steeds gevaarlijker. Eten was voor een gezin van vijf personen moeilijk bij elkaar te schrapen. Aardappelkoek was er niet meer bij. Op een dag in die verschrikkelijke hongerwinter haalde mijn moeder ons heel vroeg uit bed. We liepen zwijgend door de vroege ochtend, het was nog donker, richting haven. 't Was nog een heel eind vanaf het Grenspad. Mijn vader droeg een paar tassen waarin wat kleren voor m'n broertje en mij ... We werden 'weggebracht'... lk zie ze nog staan, mijn moeder en mijn zusje. Zouden we elkaar ooit terugzien? Op een botter voeren we de haven uit. lk blijf kijken tot ze niet meer zijn als een stipje. Weg zijn ze. Wij zijn op volle zee. Mijn vader, mijn broertje en ik. Een zekere meneer Molenaar, een Volendammer schipper en zijn zoon. De botter glijdt over het donkere water. Niemand zegt iets. Wat moet er gezegd worden? We zijn verdrietig, bang en onzeker. Waar gaan we eigenlijk heen, en hoe moet het nu verder? M'n moeder, m'n kleine zusje. Lopen zij dat akelige eind nu weer helemaal terug? Langs de Balatum, dan rechtsaf richting Botterstraat? En dan? lk moet huilen, kijk naar het kleine bedompte roefje. Moeten we daar in met z'n allen? Dat kan onmogelijk, vier grote kerels en twee kinderen.
lk word misselijk van het deinen op de golven. Mijn broertje en ik mogen naar binnen. Daar kunnen we een beetje slapen misschien en worden we niet zo koud. De schipper staat aan het roer. In het roefje wordt een klein kacheltje gestookt, maar het rookt zo verschrikkelijk, dat we af en toe even naar buiten moeten om frisse lucht te halen. Vôôr ons, achter ons, alleen water en een dreigende lucht. Er steekt een storm op. De schuit giert en kraakt. We worden heen en weer geslingerd over het dek. De schipper zwijgt, schreeuwt af en toe een commando naar zijn zoon, maar door de storm waaien een heleboel kreten met de wind ver weg over het wilde water! Mijn vader, meneer Molenaar, mijn broertje en ik zitten dicht tegen elkaar in het kleine roefje. Op het hevig rokende kacheltje staat een pan met groene erwten te pruttelen. "Die eten we morgen" heeft de schipper gezegd. Buiten slaan de regen en de Storm over het dek. We bevinden ons nu echt in een vliegende storm. We zijn bang, m'n broertje en ik. De schipper heeft de grootste moeite de schuit varende te houden. De storm gaat als een razende te keer. Dan ... na een hevige ruk aan het schip, schijnen we het roer, of iets anders, kwijt te zijn... en zeilen met een wilde vaart verder en verder ... en komen plotseling ergens op vast te zitten. Na een harde klap is het ineens doodstil en durven we niet te kijken. De schipper vloekt en scheldt als een razende en kondigt aan dat hij hier wenst te sterven. Voor hem hoeft het niet meer. We kunnen niet verder varen, de schuit zit muurvast! Vader en zoon zetten zich in het bedomptje roefje aan de pan met erwten en wij, wij kijken toe. Wie kan er nu eten als je ziek bent van ellende en geen uitzicht meer hebt? Door de dichte mist waar we nu ook nog in verkeren, weten we niet waar we ons bevinden. Mijn vader staat op de voorplecht en begint zomaar in het niets te roepen: "Hé, hallo, is daar misschien iemand, wonen hier mensen in de buurt, hallo, kunt u ons horen misschien? Wij zijn mensen op een schip, hallo, we zitten vast, hallo,
5
hallo!" Het blijft stil, heel stil. Het enige geluid is het water dat af en toe tegen de botter slaat. We kunnen niet meer varen. We zijn koud en ontredderd. De schipper en zijn zoon hebben hun maag gevuld met de groene erwten. Het kacheltje rookt en puft niet meer. Het enige is de dichte mist, die geen geluid maakt en ook het roepen van mijn vader niet door laat klinken. Zo lijkt het. Mijn vader roept weer: "Hallo, is daar iemand? Komt u alstublieft met een bootje, hallo, hallo!" De mist ligt als een dikke deken om ons heen, het is stil. De schipper en zijn zoon liggen in het kleine roefje en zijn inmiddels heel ver weg ... varen zij misschien? Dan, heel ver weg nog, horen we iets op het water. Het lijkt onze kant op te komen. Het geluid wordt sterker. Vanuit de mist doemt iets op wat lijkt op een bootje, met vaag iemand daarin. De man heeft mijn vader gehoord en komt ons halen. Het is een wonder! Ons bundeltje kleren vangt hij op en tilt dan voorzichtig mijn broertje en mij van de botter in zijn roeiboot. Mijn vader en meneer Molenaar stappen ook over. De schipper en zijn zoon blijven aan boord, de schipper wenst op zijn schuit te sterven ...'Wij worden behoedzaam naar de oever gevaren. De man brengt ons zonder veel woorden in de warme keuken bij zijn vrouw, op de boerderij. 't Is inmiddels laat in de avond geworden. Door alles wat we hebben meegemaakt zijn mijn broertje en ik nu spoedig in dromenland aangekomen.
De volgende morgen moeten we toch weer terug naar het schip, wat intussen vrij gekomen is van de dijk waarop het vastgelopen was. De schipper is opgelucht en ook wat spraakzamer als we onze reis vervolgen. We zijn eindelijk in rustiger vaarwater terechtgekomen en lopen na niet al te lange tijd de haven van Zwartsluis binnen. Mijn vader en meneer Molenaar zullen proberen hier wat eten voor ons allen te kopen. Ze zijn al gauw tussen de huizen van Zwartsluis verdwenen. Mijn broertje en ik mogen niet met ze mee... Dan is er plotseling het geluid van vliegtuigen. Er wordt geschoten! Wij schrikken en zijn heel bang, wat is dat, wat gebeurt hier? De schipper en zijn zoon zijn heel ver weg in een land van groene erwten, en nog veel meer misschien ... Zij merken niets en hebben 'het bed' in het kleine roefje voor zich alleen. Het schieten houdt aan, vliegtuigen duiken naar beneden, het lijkt wel of ze juist ons schip moeten hebben. We zijn erg bang, m'n broertje en ik. We rennen van boord, hollen de straat over, naar de overkant. We vluchten een huis binnen en staan dan angstig stil, oog in oog met een gestruikelde Duitse soldaat! Ook hij rende voor zijn leven! Als alles weer rustig is op straat, wagen we ons naar buiten, lopen terug naar het schip en klimmen weer aan boord. M'n vader heeft een brood kunnen kopen en een groot stuk leverworst. "Dat eten we straks met z'n allen op" zegt hij. Als het zover is, blijkt het brood en de worst verdwenen! De zoon van de schipper wist van niks, maar ik verdenk hem er nog altijd van! Hoe de reis verder is verlopen weet ik niet zo goed meer, maar uiteindelijk kwamen we aan in Meppel. Nooit zal ik
    De faillilie van den Berg Broertje Egbert kreeg zijn tijdelijk thuis li'aar Gerda IV011da onderdak vond. bij Jan Coster en Jentje Brand.
Natuurlijk dacht ik vaak aan thuis. Even opbellen ging niet, mijn ouders hadden geen telefoon. Schrijven duurde heel lang, vanwege de steeds nijpender situtatie in het westen van ons land. 's Avonds in mijn bed, wat ook mijn toevluchtsoord was, moest ik vaak huilen als ik dacht aan thuis. Hoe zou het nu gaan met mijn moeder en mijn zusje? Zouden ze nog wel eten hebben? En mijn vader, waar was hij, zou hij al thuis zijn? lk wist niet, dat mijn vader op weg naar huis in elkaar geslagen was, op de IJsselbrug bij Zwolle. Het spek dat hij in Staphorst gekregen had, is nooit bij mijn moeder in huis gebracht. Op brute wijze hebben de Duitsers mijn vader zo geslagen en geschopt dat hij maar moeilijk op z'n fiets zonder banden verder kon. Alles wat hij bij zich had hebben ze hem afgenomen. Gelukkig heeft dat bericht ons in Staphorst nooit bereikt. We hadden het daar goed, maar we wisten niets van thuis! Zouden we wel ooit weer terug komen in Huizen? En wanneer? Af en toe kwamen er berichten door uit het westen van het land. De geallieerden rukten op. Er was hevig verzet. Ook in Huizen door de ondergrondse verzetsbeweging. Maar de oorlog was nog niet voorbij. Op een dag in april kwamen Canadese pantserwagens in Staphorst. Het waren onze bevrijders! Toch werd er ook in Staphorst hevig gevochten met zich niet overgevende Duitse soldaten. Vermomd als Canadezen hebben ze zo'n twintig boerderijen en het bekende hotel Waanders in brand gestoken. Zij schenen niets en niemand te sparen. Er zijn vreselijke dingen gebeurd op Staphorst en er was veel angst en verdriet.

Op de praalvvagen in Hilizen, 1945.
Gelukkig behaalde het Canadese bevrijdingsleger op zekere dag toch de overwinning. Toen was er een groot feest. De Canadese soldaten deelden chocola en sigaretten uit. 'Player' stond er op die pakjes. Natuurlijk kwam bij mij de gedachte op, hoe het nu in het westen zou zijn. En in mijn eigen dorp Huizen. Er sijpelden wel berichten door, maar het was nog lang niet zeker dat nu overal in Nederland de oorlog voorbij was. De gedachte aan huis was heel levend. 't Gekke was, dat het idee dat we nu toch misschien wel spoedig uit Staphorst zouden weg moeten ons toch niet zo aansprak. Het was ons hier allemaal zo eigen geworden, we voelden ons hier zo thuis. Op een dag was het zo ver... Willem Vlaanderen, de kolenboer uit de Beemsterboerstraat in Huizen, bezat een rode auto op drie wielen, met een open laadbak. Meneer Vlaanderen was een goede vriend van mijn vader en op een dag stonden zij bij ons voor de deur op Staphorst. Onze weinige spullen werden ingeladen. Toen het afscheid kwam, werd het heel moeilijk. We wilden blijven en we moesten toch weer naar huis. Staphorst was voor ons een thuis geworden. We waren gaan houden van deze mensen, het dorp, de gewoonten. Eenmaal terug in ons eigen dorp Huizen, was het wel even wennen. Op den duur kwam het vertrouwde van vroeger weer terug. lk deed weer boodschappen voor mijn moeder in de winkels waar ik in het begin van mijn verhaal over schreef. Alleen zo vlak na de oorlog moest je nog steeds geldige bonkaarten hebben. Geen bonnen? Ook geen levensmiddelen of andere zaken. En die dingen waren, geloof ik, steeds maar een week geldig. Voor nieuwe bonkaarten stonden we in de rij bij het tramstation aan de Naarderstraat.
Na de oorlog vierden we de bevrijdingsfeesten. De 'Jan van Galenstraat' werd weer Prinses Julianastraat. En aan de Warandestraat werd het 'Ireneboompje' geplant. De straat werd toen in het vervolg Prinses Irenestraat genoemd.
Langzaam kropen de na-oorlogse jaren voorbij en werd alles wat beter. Ook voor ons kinderen. Organisaties en verenigingen bloeiden weer op. Muziekkorpsen gaven op gezette tijden hun concert in de muziektent. Na het officiële gedeelte nam 'Kees Kik' de leiding over van Rien Schipper. Dan ... was het 'hossen' geblazen! Wat hebben we als dorpelingen onder elkaar toch plezier gehad met elkaar! 'Aart de Grijze' en 'Ditje van Hille' deden als ijsco-mannen goede zaken op die avonden met muziek in de tent. O, wat een heerlijke tijd was dat!
De muziek- en zangverenigingen repeteerden op hun vaste wekelijkse avonden in de 'Harmonie' aan de Achterbaan. De gemengde zangverenigingen 'Excelsior' en 'Asaf' en het harmonie-orkest 'Prinses Irene'. 'Het Huizer Kamerkoor', ik geloof de jongste van alle koren, kwam op dinsdagavond bijeen in de huiskamer van de oude boerderij in de Kerkstraat, waar Rien Schipper woonde met zijn ouders. Op zondagochtend tussen 12.00 en 13.00 uur kwamen alleen de vrouwen bij elkaar in de bovenwoning van de fam. Teeuwissen, hoek Lindenlaan/ Kerkstraat. Juist op dat uur werd er ook "gebaand". Ja, 'de baan' , ook een begrip in het dorp. Als je als jeugdige inwoner van Huizen 'gezien' wilde worden, vertoonde je jezelf op de zaterdag en zondag op de baan. Donderdagavond heette in de volksmond 'konkiesavond'. Op de baan liep men in groepjes met vrienden en vriendinnen, vanaf de muziektent (Oude Raadhuisplein, red.) tot aan ongeveer dr. Schaberg (Lindelaan 48, red.), en weer terug. Niet iedereen mocht zich van thuis op de baan bevinden, aangezien het er niet altijd even ordentelijk toeging. Maar ja, dat hoorde bij het dorp.
EINDE

    ùJACOBtPRINS EN     ZIJN 'AANTEKENINGEN' (DEEL 1)
Dick Schaap
Sinds lange tijd is mijn familie in het bezit van een oud boekje, waarover heel wat te vertellen is. Het is een onooglijk schriftje, gekaft in een oude krant. Eigenlijk is het niet meer dan de afgeknipte helften van bladzijden van een kasboek uit de achttiende eeuw, te weten uit 1761. De twintig bladen van dit boekje (12 x 15 cm) zijn beschreven met pen door de Huizer Jacob Prins in de periode 1823 tot 1866.
Dit boekje is via Jacobs zoon Dirk terecht gekomen bij diens dochter Lijsje Prins. Zij was mijn grootmoeder. Ze woonde in het huis Visserstraat 80 ( tegenwoordig genummerd Vletstraat 5 ). Via haar oudste dochter Aaltje Koeman, die jaren lang inwoonde bij haar zuster Heintje, mijn moeder, zijn wij in het bezit van dit boekje gekomen.
Wie was deze Jacob Prins? Degene die enigszins op de hoogte is van de geschiedenis van Huizen, zal deze naam herkennen. Hij leefde van 1793 tot 1870 en was de eerste havenmeester van Huizen. Prins woonde aanvankelijk ook aan (bij?) de Visserstraat en later in het havenhuis aan de haven. Voordat hij tot havenmeester werd benoemd was hij boer en visser.
Het aantekeningenboekje
Jacob zal zeker niet de enige zijn geweest die notities maakte over de dingen die in zijn leven gebeurden. Wij weten bijvoorbeeld dat zijn kleinzoon Hendrik Prins dat jaren later ook deed. Maar vissers waren geen schrijvers. Ook al waren ze op school geweest en hadden ze daar leren schrijven, in hun beroep behoefden ze de pen niet vaak te gebruiken. Toch deed Jacob dat wel en schreef hij op belangrijke momenten dingen op. Waarom? Twee dingen speelden hierbij mogelijk een rol.
Een deel van zijn aantekeningen zijn de notities over geboorte, huwelijk en overlijden in de familie. Velen deden dat in ons land, al eeuwen lang. In hoeveel statenbijbels staan dergelijke aantekeningen niet? Vôôrin, moeizaam neergepend door onze voorvaders en -moeders? Je ziet het aan de letters: dit was hun dagelijks werk niet. Maar de feiten over het geslacht moesten wel bewaard worden!
Van de familie Prins is geen statenbijbel bewaard gebleven. Het is mogelijk dat Jacob bij gebrek aan een familiebijbel zijn familienotities in dit boekje maakte. En hij deed dit zeer nauwkeurig. Controle van de gegevens in het bevolkingsregister van Huizen wijst dit uit.
Een tweede reden vermeldt hij zelf. Hij schrijft ergens - ik kom er nog op terug -
"ik hep dat maar alleen aangetekent voor mijn kinderen en voor wie dat mogten leezen, op dat zij wijzer zouden handelen".
Hij schreef zijn ervaringen dus ook op met dit doel voor ogen: Dat het nageslacht er iets van zou kunnen leren, als levensles. De inhoud van de gemaakte notities is te verdelen in drie delen:
a. Twee verhalen over gebeurtenissen in Huizen rond het beroepen van een nieuwe predikant.
b. Korte aantekeningen over het kopen van een koe, het kopen van hout, een strenge winter, de Belgische opstand en over grote armoede in Huizen.
c. Twintig aantekeningen over familiegebeurtenissen. Vermeld worden de data van het overlijden van Jacobs vader I , van zijn schoonvader en -moeder, zijn stiefvader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn zoon Dirk, diens vrouw, hun dochtertje en hun zoon. Daarnaast zijn vermeld de datum van zijn huwelijk, en de data waarop zijn zeven kinderen werden geboren.
Een klein deel van deze familienotities kan niet door Jacob zelf zijn geschreven, maar is waarschijnlijk van de hand van zijn zoon Dirk en van diens zoon Hendrik Prins. Op de inhoud van dit 'geslachtsregister' zal ik hier verder niet ingaan. 2
De spelling die Prins gebruikt wijkt nogal af van de nu gebruikelijke spelling van het Nederlands. Daarom kost het ons soms wat moeite om de tekst te volgen. Maar het meeste wat hij schrijft is goed te lezen.


Handschrift Jacob Prins.
9
Wat Jacob Prins bezig hield (1)
De hierna volgende tekstgedeelten uit het boekje vermeld ik in de volgorde van tijd. In werkelijkheid staan ze door elkaar. 1k begin met de korte aantekeningen. Jacob Prins schreef zijn eerste notie in 1 822:
in het Jaar 1822 en in het begin van het Jaar 23 heeft het een en een halfe graat harder gevrooren A/s in het Jaar 1704 en 2 en een halfe graat harder a/s in 1795 bezonder in het Jaar 1823 was het zoo koud Den 24 Januarij op vrijdag
Dat mijn en meer andere menschen de mond bevrooren was in het loopen van ouwd naarden tot huijzen Dit heeft Jacob prins geschreven toon hij 29 Jaar ouwd was en ik ben gebooren in het
Jaar
1793
Onderzoek in de weergeschiedenis van Nederland laat zien dat de laagste temperaratuur in januari 1823 min 18,6 graden C. is geweest! Als je dit meemaakt, dat het zo koud is dat je lippen aan elkaar vriezen, dan vergeet je dit niet licht. Reken maar dat er nog lang over is nagepraat.
En tegelijk kwamen dan de oude verhalen van eerdere strenge winters. Men wist nog van de winter van 1704! Toen vroor het volgens Jacobs aantekeningen dus ruim 17 graden 3. De winter van 1795 staat zelfs in onze nationale geschiedenis te boek als die winter waarin de Fransen over de bevroren rivieren ons land binnen trokken.
Jacob liep op die koude januaridag met anderen van Oud Naarden naar het dorp. Lagen daar soms nog Huizer schuiten op de rede?
Een jaar later schreef Jacob:
In het jaar 1823 heeft Jacob prins 5 scheepel hout gekogt voor 36 gulden van Jacob kos

in het Jaar 1823 is te eemmenes 10010 s roeden essenhout van 9 Jaar voor 60 gulden ik heb daar kibstoken uijt gehad
Hier rijzen enkele vragen. Jacob Prins kocht in 1823 twee keer een partij hout. Hoeveel was dat en waarvoor gebruikte hij het? Het woord 'schepel' werd meestal gebruikt voor een inhoudsmaat, b.v. een schepel rogge; dit is ongeveer tien liter. Maar als het om hout gaat, ligt het meer voor de hand dat de bijpassende oppervlaktemaat bedoeld is: Zoveel land als men met een schepel rogge kan bezaaien, ongeveer 1/8 ha. Dit zou betekenen dat Jacob een partij hout kocht zoals groeide op ruim een halve hectare land. Blijft de vraag hoeveel hout dit was. Misschien geeft zijn tweede aantekening hierover wat meer informatie. Het is goed mogelijk dat hij destijds twee partijen zgn. geriefhout kocht, dunne eiken of essen stammetjes, om daarvan stelen, stokken of staken te maken die hij kon gebruiken in zijn werk als boer en visser. Bij zijn tweede aankoop, die in Eemnes, schrijft hij over 'roeden essenhout van 9 jaar'.
Over dit stukje uit de 'Aantekeningen' heb ik overleg gepleegd met Peter Dorleijn te Hoorn. Hij is de deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Zuiderzeevisserij. Dorleijn schreef mij, dat essen staken van 9 jaar oud ongeveer 7 meter lang zijn en aan de voet ongeveer 10 cm. dik. Deze lengte en dikte komen overeen met de afmetingen van zgn. 'kubstokken', die werden gebruikt door Zuiderzeevissers bij de palingvisserij met kubben of korven 4 . Het woord 'kibstoken' in deze aantekening moet daarom wel vertaald worden als 'kubstokken'.


Enigszins raadselachtig is de hoeveelheid stokken, die Jacob hier noemt: '10010 s', een enorm getal. Naar mijn mening moet dit als een verschrijving worden gelezen en heeft hij hier bedoeld '110 stuks'. En dit getal geeft in combinatie met de genoemde aankoopprijzen een aanduiding van de hoeveelheid hout die Jacob Prins in 1823 kocht: in twee partijen ongeveer 170 stammetjes voor totaal 96 gulden. Een niet geringe hoeveelheid, waar één boer/visser jaren mee vooruit kon. Maar misschien verkocht hij zijn stokken ook weer door aan anderen.
Palingvisserij Inet kubben. De kub is een klokvonnige, van teen gevlochten korf met een hoogte van ruim 50 cm. Geaasd met spiering, garnaal Q/ haringkuit vvordt hij aan een schuin in de grond gestoken 1200111 gehangen. Door de breed uitlopende opening, die via een trechtervonnig netje - het 'inkeltje' of 'keeltje' - toegang geeft tot de kub, wordl de paling naar binnen gelokt. De andere opening is bedoeld 0111 de vangst eruit te halen en het aas te verversen. Met koud weer liet de visser de onderkant van de kub wat in het slib zakken, Inet wann vvee/; als de paling meer z.wonl, hing hij er boven. Een klibbenbeug bestond uit ongeveer 100 stuks die aan slaken in zee hingen. Elke dag roeiden de schipper en zijn knecht langs de rij 0111 de vangst eruit te halen en het aas te verversen.

Wat Jacob Prins bezig hield (2)
Er waren echter ook heel andere dingen die hem bezig hielden. De derde aantekening gaat over de burgeroorlog die zeven jaar later Nederland in opschudding bracht:
oordeel
een klijne Aanteekening van slands omstandigheeden in het Jaar 1830 Den 24 Aougustus op de verjaardag van onsse koonning heeft er een heeffege opstant in brosse/ plaasgehad terwijl onze kooning op het 100 was hetwelk zeer veel hollans bloet gekost heeft maar nog vee/ meer brabans bloet waar door wij in oorlog geraakt zijn met braa/and ; en daar op zijn al de studenten in den krijg getreden en ook honderden van grote heeren en daar bij nog grote zommen geld en duijzenden van andre perzonen tot bijstand van het vaderland het scheen als of dit Jaar de gehele wereld in oproer was
(Ook in deze aantekening een kleine verschrijving. Met 'braaland' in regel 9 wordt bedoeld 'Brabant')
Prins schrijft hier over de zgn. Tiendaagse veldtocht van 1830. Aan het einde van de Franse Tijd waren op het Wener Congres van 1815 de zuidelijke Nederlanden (wat nu België is) samengevoegd met de noordelijke Nederlanden. Maar de zuidelijken, de Brabanders, zoals Jacob Prins ze noemt, voelden zich steeds achtergesteld bij de noordelijken, de Hollanders. Dit gaf grote spanningen, die in augustus 1830 leidden tot een volksopstand in Brussel.

Beeld van de gevechten bij Kon. Paleis te Brussel op 25 september 1830, naar een litho van P. Lanters (Rijks Prentenkabinet, A 'dani).
Prins vergist zich hier één dag. Koning Willem I was inderdaad op de 24e jarig geweest, maar in Brussel, toen de hoofdstad van het Groot-Nederland, was er geen feest geweest. De moeilijkheden begonnen op de avond van de 25e, na afloop van een politiek geladen toneelvoorstelling. Dit Brusselse oproer leidde tot een complete burgeroorlog, weliswaar kort maar hevig. Bij de vrijwilligers die meevochten aan de kant van de Hollanders waren o.m. studentencompagnieën van studenten uit Leiden, Utrecht, en Groningen. Maar aan deze broederstrijd werd al snel door de grote mogendheden een einde gemaakt en dit leidde uiteindelijk tot de afsplitsing van België. Opvallend wat Jacob boven dit stukje schrijft 'oordeel'. Moeten we hieruit afleiden dat hij deze burgeroorlog beschouwde als een oordeel van God? Het slot van de volgende aantekening wijst in deze richting.
Deze volgende aantekening luidt:
In het Jaar Anno 1840 heeft er zoo een algemene arremoede plaas gehat
Door een langdurege schraalheijd van visserij bezonder/ijk van haring Als dat de burgemeester hendrik rebel z genoodzaakt vond door verzoek van eenige menschen door hooge noot van voesse/ haar op tedragen in de corand aan de mildaadighijd van ons vaderland waar op aanzinlijke zommen tot ons over gekoomen zijn ook aardape/en en ook nog kleding Dit behoorde te dinnen tot opmerking wat de heere al brengen kan om de zonde
Dit heeft Jacob prins
Geschreven
Onderzoek in de notulen 5 van de Gemeenteraad van Huizen leverde het volgende op: Op 27 februari 1840 vergaderde de Raad. We lezen:
"De Heer Burgemeester geeft te kennen dat op gisteren eenige visschers en visschersknechts "zich ten zijnent hadden vervoegd met tekennengeving dat vermits den slechten gang der "visscherij zoo in het afgelopen jaar als in dit jaar hun zoodanig hadt verarmd dat hun niets "was overgebleven om in de noodwendigste levensbehoefte voor hun huisgezin te kunnen "vootzien, zoodat zij zich gedwongen gevoelden om de weldadigheid hunner mede "Ingezetenen en die van het algemeen in te roepen.
"Dat hij Burgemeester overtuigd van de algemene behoefte van het meerendeel der "Ingezetenen uit hoofde van de ongunstige gang der visscherij, met overleg van den We/Eetw. "Heer Predikant dezer gemeente reeds een advertentie ter inroeping der weldadigheid onzer "landgenoten in het algemeen hadt bezorgd ter plaatsing in de Haarlemmer Courant en "Handelsblad".
Tot zover het citaat uit deze raadsnotulen. Jacob Prins was dus precies op de hoogte. De notulen geven ook nog meer maatregelen weer die de Raad op die dag trof:
 een collecte onder "de weinige gegoeden Ingezetenen" van het dorp;  een beroep op de gedeputeerde Staten van Noord-Holland om een extra bijdrage uit de
   Provinciale Fondsen;  het beschikbaar stellen van een bedrag van f. 100 uit de begrotingsgelden van de Gemeente voor de armen;
Tenslotte stelde de raad een speciale commissie samen "om het beheer der ontvangen "penningen op zich te nemen, de behoefte bij de huisgezinnen op te nemen en zich met de "uitdeeling op de doelmatigste wijze te belasten".
Deze commissie bestond uit zes leden: Burgemeester Hendrik Rebel, ds Hendrik Slothouber, Evert Heijnen, Gerrit Jan Vos, armmeester Jan Boerhout en een diaken Klaas Vos.
De notulen van latere raadsvergaderingen in dit jaar vermelden niets meer over het resultaat van deze acties. Prins schrijft over 'aanzienlijke zommen, aardappelen en kleding' die van buiten voor de armen van Huizen werden gegeven. In het archief over 1840 van de "Arm- en Weesmeesters" (het burgerlijk armbestuur van Huizen) is een lijst aanwezig van 23 januari waarop 70 huisgezinnen worden vermeld aan wie brood werd uitgedeeld. In de bovengeciteerde notulen is ook sprake van "de algemene behoefte van het meerendee/ der Ingezetenen". Dit alles geeft aan hoe omvangrijk de armoede in Huizen toen was.
In zijn slotzin legt Prins een duidelijk verband tussen deze armoede en de zonde. Hier klinkt in door de echo van de toenmalige zondagse prediking waarin bij zulke tegenspoed werd gewezen op de woorden van de oudtestamentische profeten, die steeds weer verband legden tussen de rampen die Israël troffen en de zonden van dit volk.
Tenslotte nog één losse aantekening:
Huijzen 20 Maart 1866
Heeft Jacob p prins een koe gekogt voor 85 op het Boelhuijs van willem Boelhout en heeft die gewijt op de meent onder het Bestuur van Hendrik Rebel en vredrik Chram Als meetmeesters en heeft die laater verkogt
Aan hendrik Rebel voor hondert 22 g/
In 1866 - Prins is dan al 18 jaar havenmeester, en dus geen visser meer - schrijft hij over het kopen van een koe. lk schreef steeds dat hij ook boer is geweest. Heel duidelijk is dit niet. Veel mensen, ook vissers, hadden thuis een koe en/of een varken. Moeten we deze mensen dan ook boer noemen?
Wel blijkt uit dit stukje dat Jacob Prins ook scharend erfgooier was 6b. Hij had namelijk het recht om één koe, en misschien wel meer dan één, te weiden op de meent. Het erfgooierschap was over de mannelijke lijn vererfbaar. Dus zullen zijn voorouders ook boer zijn geweest.
In de lijst van botterbezitters van 181 1 7 komt de naam Jacob Prins niet voor. Hij was toen 17 jaar. Zijn vader was al overleden in 1796. Als zijn vader visser was geweest en hij diens botter had geërfd, had hij op deze lijst gestaan. Kunnen we concluderen dat Prins uit een boerengeslacht kwam en pas later visser is geworden? Duidelijk is in ieder geval dat Prins in 1853 een botter bezat. Zijn botter wordt dan als eerste schip vermeld dat wordt geregistreerd in het 'Register op de havengelden' 8.
Prins noemt in deze aantekening ook de namen van twee 'meetmeesters'. Bedoeld is 'meentmeesters'. \./ÔÔr de Erfgooierswet van 1912 was het opzicht over de verschillende Gooise meenten in handen van deze meentmeesters. Zij werden aangesteld door de dorpsbesturen. Na 1912 kwamen er vaste opzichters voor de meenten 9

(Wordt vervolgd)
Leersum, najaar 2003    Dick Schaap (Dirk van Lammert van Klaas van Lammert van Troel) Noten
1 De naam van zijn vader was Pieter Prins. Van hem is in mijn familie een voor die tijd opmerkelijk feit bekend. Hij behoorde tot de Doopsgezinde gemeente in Huizen. Of zoals men toen zei: Hij was een Mennist. De kleine Jacob werd daarom bij zijn geboorte niet gedoopt. Maar vader Pieter overleed jong, in 1796. Zijn moeder is toen hertrouwd en heeft Jacob op Paaszondag 16 april 1797 op 3-jarige leeftijd in de Gereformeerde (Hervormde) kerk laten dopen.
2 De naam van dit geslacht Prins is in Huizen nu alleen nog aanwezig in een straatnaam, de Piet Prinsstraat. Deze Piet(er) was de oudste zoon van Jacob. Hij leefde van 1826 tot 1906. Hij woonde op huisnummer A 1, een huis dat waarschijnlijk lag aan het einde van de huidige Prinses Irenestraat.
3 Dit kon ik niet controleren. De registratie van temperaturen is in ons land begonnen in 1706.
    S    
4 0.a. bij P.Dorleijn, Van gaand en staand want, dl.lV, Weesp 1984, bl. 225. Dit gaat over de kubbenvisserij in Elburg. Lees ook uitgebreid hierover in deel III, hfdst. XIV: De kubbenvisserij in Bunschoten-Spakenburg.
5 Nieuw Archief Huizen (NAH) nr. 314. Het NAH is een onderdeel van het Streekarchief Muiden, Bussum en Huizen te Naarden.

NAH nr. 1327.
6b Zijn naam komt ook voor op de lijsten van 'meenthebbers in Huizen' in 1827 en 1836 (NAH nr. 896).
7 Anonymus, Het dorp Huizen, Huizen, 1964-2, bl. 33-34. Niet alle vissers hadden in 181 1 al de beschikking over een botter, er waren ook nog wat kleinere haringschuiten in gebruik. Het is dus mogelijk dat Prins zo'n haringschuit had.
8 NAH nr. 928.
9 Dr. A.C.J. de Vrankrijker, Stad en Lande van Gooiland, Bussum 1968, bl. 29 en 70.
Bij dezeJôto hoort nog een aantekening lii/ de oraleJillililieoverlevering. De foto is geniaakt 01nstreeks 1865 in Monnickendcun. In Huizen toen nog geen gelegenheid 0111 foto's te nenœll. Prins voer daarvoor naar Monnickendalll in zijn M'erkkleren Inet aan boord zijn zondagse kleren (witte kousen, schoenen 111e/ gespen e.d.).

SCHEEPSONGEVALLEN IN HUIZEN
Klaas Westland
De eens zo bloeiende visserij van Huizen had ook haar schaduwkanten. De armoe die vooral geleden werd door de knechten in jaren met slechte teelten is daar maar een van. De visserij was een wisselvallig bedrijf, waarbij goede en slechte jaren elkaar afwisselden. Vooral in de jaren met een gunstige ansjovisteelt hadden de schippers goede besommingen, waarna zij hun schulden bij de werven en de zeilmakers konden aflossen.
Sommige jaren waren zo goed dat er schippers waren die in een jaar een nieuwe schuit lieten uithalen en in hetzelfde jaar een nieuwe woning lieten bouwen. Maar er zijn ook jaren geweest dat de armoede in Huizen zo groot was, dat oproepen in landelijke kranten werden geplaatst ter lediging van de ergste nood. Vooral de knechten die op een deel van de besomming voeren, hadden het financieel bijzonder zwaar in jaren met slechte teelten.
Behalve de armoede en de honger was er ook volop menselijk leed. Helaas zijn namelijk een aantal vissermannen gebleven op zee. Sommige rampen zijn nog bekend omdat ze destijds de krant haalden, andere zijn inmiddels volledig vergeten. Bijvoorbeeld als de schipper of een knecht overboord sloeg en verdronk; dit soort berichten werden niet gepubliceerd in de kranten en zijn soms alleen nog uit mondelinge overlevering bekend. Alleen scheepsrampen waarbij een schuit met volledige bemanning verongelukte, haalden nog wel eens de krant.
Met uitzondering van enkele rampen is weinig bekend over de scheepsrampen in Huizen. Over de ramp in 1719 is door Harmen Kos in 2002 een verhaal geschreven voor de Ratel op grond van de geschriften van Lambert Rijksz Lustigh. Over de ramp met de HZ 234 op de Noordzee is uitgebreid gepubliceerd in het blad de 'Ratel' van de Historische Kring Huizen.
In het begin van de negentiende eeuw moesten de vissersschepen uit Huizen de letters HU op het zeil voeren van de overheid, hierover is weinig bekend. In de periode van 1854 tot 1882 voerden Huizer schepen een brandmerk met een H en een cijfer op voorschrift van de gemeente Huizen. De vermelding van H 24 klopt dus, pas in 1882 werd de HZ-visserijnummers ingevoerd op voorschrift van de rijksoverheid. In de Tweede Wereldoorlog werd wegens de voedselschaarste aan 12 vissers uit Huizen een tijdelijke oorlogsvergunning gegeven; hun schuiten kregen geen officieel visserijnummer.
De werkgroep Visserij van de Historische Kring Huizen heeft een voorlopige lijst van scheepsrampen samengesteld. Hierbij werd hulp verleend door mevrouw Hogenbirk, Harmen Kos en Piet Wiersma. De lijst is echter nog lang niet volledig en daarvoor roepen wij de hulp van onze lezers in, want er moeten meerdere scheepsrampen zich afgespeeld hebben en visterminsen op zee zijn gebleven. Onder andere bestaat er een verhaal over een Gooier botter die nabij Harderwijk is vergaan en waarbij de schipper later in een kuul werd gevonden; over dit verhaal ontbreken tot nu toe gegevens. En zo zijn er wel meer verhalen. Wel zijn tot op heden de navolgende ongevallen bekend:
Haringschuit    25 februari 1719
In een onweersbui is een haringschuit uit Huizen omgeslagen op de Zuiderzee, waarbij beide opvarenden -Gijsbert Hendrikckz Koppen (55 jr.) en Lambert Harmenz Kos (22 jr)- omkwamen. Het lichaam van Lambert Kos werd aan de zeekant bij Muiderberg gevonden. Hij was beroofd van zijn geld en zijn zilveren broekknopen.
4 december 1724
Op 4 december 1724 stak een geweldige storm op. Veel schuiten van de Huizer visserijvloot sloegen van hun ankers en raakten op drift. Er waren helaas drie mensenlevens te betreuren.
Huizer Bôsschuit (HU?) 1835
Bij Enkhuizen een vissersschip uit Huizen vergaan, waarbij een vader met twee zonen omkwam.
1-1 ?    21 maart 1876
In de nacht van dinsdag op woensdag een Gooier botter in de Zuiderzee omgeslagen. De opvarenden, een vader met twee zoons ( 23 en 20 jaar) zijn verdronken. De schipper liet een weduwe met vijf kinderen na.

    H 24    mei 1881
Gerrit Wzn. van As en zijn twee zonen kwamen om het leven toen hun botter bij Oosterleek (gemeente Venhuizen) tussen de Appelhoek en Leekerhoek zonk. Scheepswrak met wrakton gemarkeerd en in oktober 1881 is de H 24 gelicht in opdracht van Rijkswaterstaat.
6 maart 1883
Bij de rampzalige storm van 6 maart 1883 is de schuit van Kos voor Hoorn bij Leek omgeslagen. Beide opvarenden, vader en zoon Kos, verdronken. De zoon werd nooit gevonden en de vader is na eenentwintig weken aangespoeld bij Warder. Door de grootvader is het in verregaande staat van ontbinding geïdentificeerde lijk aan de gouden boordknopen herkend. Het lichaam is begraven op de begraafplaats in Hoorn.
HZ 16    24 januari 1884
In de avond van 24 januari 1884 zonk voor het grote gat bij de haven van Hoorn in heftige storm een botter uit Huizen. Aan de mast werd de schuit herkend als de Huizer bodtschuit nummer HZ 16 van Jacob Kos, die met een nog onbekende knecht de bemanning vormde. Tevergeefs werd getracht het wrak te lichten. De weduwe van Jacob Kos had echter geen geld om het wrak te lichten.
De vader van Jacob, Jacob Aaltzn. Kos, gaf dan ook aan Rijkswaterstaat door dat men afzag van verdere bergingspogingen. In juni 1884 werd het wrak gelicht, er werden geen lichamen teruggevonden. Het lichaam van Jacob Jacobzn. Kos is later op onbekende wijze teruggevonden en op 12 juli 1884 op het visserskerkhof van Huizen begraven. De vader van Jacob was havenmeester van Huizen en staat beter bekend onder de naam Aelte Jawik.
HZ 106    juni 1885
De HZ 106 is gezonken tegen de stenen glooiing van de Drechtselandse dijk beoosten de Nek, tussen Schellinghout en Wijdenes. De eigenaar Jan Gerritszoon Schaap verkocht het wrak aan J. Verbeek uit Hoorn die het wrak liet slopen en afvoeren.
HZ 134    16 augustus 1900
Deze botter van J. Lustig Gz. kapseisde op de Noordzee voor de kust van Kijkduin (Huisduinen), bemanning vermoedelijk omgekomen.
HZ 16    19 mei 1903
Een visserman overboord geslagen in de omgeving van Elburg, namelijk Jacob Joostz. Kos; Jacob was ongehuwd en 26 jaar oud. Op 23 mei 1903 begraven in Huizen. Jacob was samen met zijn oudere broer Jan aan het vissen, beide waren kleinzoons van Aelte Jawik, die al een zoon op zee had verloren.
HZ 155    31 augustus 1905
Botter van A. Westland door aanvaring verloren, bemanning gered.
HZ 234    8 februari 1906
Gijsbert Veerman 'IJp van Aart' (1870-1906) en Gerbert Westland 'Geb van Lammen van Piet van Lammert' (1875-1906) omgekomen in stormweer op de Noordzee nabij de kust van Callantsoog. Beide lichamen na lange tijd aangespoeld op Texel en op het strand van Callantsoog; het graf van Gijsbert Veerman op het eiland Texel bestaat nog steeds.
SCH 8    26 september 1906
De matroos Jan Savert (09.01.1871-26.09.1906) is overboord gevallen bij het verlaten van de Scheveninger haven. Hij was opvarende van de zeillogger SCH 8.
voorjaar 1907
In Lerwick, op een van de Shetlandeilanden boven Schotland, is een opvarende op een haringlogger Aart Janz. Bout (bijgenaamd Aart Ansjovis) gestorven en aldaar begraven. Aart was een schoonzoon van Aelte Jawik, een naam die we in 1884 en in 1903 al tegenkwamen.
maart 1908
Knecht overboord geslagen bij Urk en verdronken.

IJM 118    13 februari 1910
De gehele bemanning van de stoomtreiler IJM 1 18 is op zee gebleven, waaronder de zwagers Jacob Brands Klzn (19.07.1879 - 13.02.1910) en Jan Snel Klzn (01.08.1872 - 13.02.1910), toen hun schip vermoedelijk door een Engelse lijnboot is overstoomd, deze is na het ongeval doorgevaren.
HZ 218 ?    voorjaar 1924 ?
Koopschuit in zware storm op de Zuiderzee vergaan, beide vissermannen omgekomen. Schuit was met gereefd zeil onderweg naar Urk om een lading haring op te halen. De zware koopschuit werd totaal omgewaaid door een zware en heftige storm. Na de ramp is de schuit gelicht en verkocht naar een andere schipper.
HZ 28    25 november 1925
Deze botter strandde nabij Huizen, geen slachtoffers. De eigenaar was Lambert Jansz. Kos, die na dit ongeval bleef doorvissen.
HZ 52    9 maart 1925
Op 5 km. afstand van de haven is de botter HZ 52 omgeslagen in een stormhoos, waarbij schipper Izaak Veerman Gz. en zoon Pieter Veerman Izn. zijn omgekomen. Na de ramp is de schuit gelicht en verkocht aan Jacob Hogenbirk, hierbij kreeg de schuit een nieuw visserijnummer HZ 19. In 1926 verkocht naar een visserman in Kampen, alwaar de schuit vernummerd werd als KP 89.
HZ    21 juli 1943
Een schuit zonder visserijnummer vanwege een tijdelijke oorlogsnoodvergunning. Jan Schaap -Jan de Biet ook Jan van Dirk Fret genoemd- (07.09.1907-21.07.1943) omgekomen na een poging de wal zwemmend te bereiken, nadat hun schuit was omgeslagen nabij Muiden. Jan Schaap stond bekend als een goede zwemmer. Omdat hun schuit - een tjotter- niet voldeed voor de visserij, hadden ze het schip verkocht en zouden hun schuit afleveren in Muiden. Zijn gewonde vader Dirk bleef in leven door zich aan de omgeslagen schuit vast te klemmen. Door vissers uit Huizen is tevergeefs met dreggen gezocht naar het lichaam. Het lichaam is vervolgens op 25 juli om 19.00 uur teruggevonden in een visnet nabij Muiden. Jan Schaap is in een loden kist in het graf van zijn grootouders bijgezet op het 'Visserskerkhof' aan het Prins Bernhardplein op 28 juli 1943.
HZ    27 september 1943
Staverse jol zonder visserijnummer door de tijdelijke oorlogsvergunning; schuit zonder opvarenden gevonden op de Naarderhop, waar ze aan het snoekbaarsvissen waren. De lichamen van Dirk Hogenbirk (04.10.1885 - 27.09.1943) en zijn zoon Jacob Hogenbirk (28.04.1915 - 27.09.1943) zijn gevonden op een zeedijk bij Diemen. Voor hij de Staverse jol kocht, had Dirk Hogenbirk een botter met het nummer HZ 63; zijn vader had eveneens een Staverse jol met het visserijnummer HZ 19.
De vraag is wie kan nog iets toevoegen aan deze vermeldingen? Kent iemand het verhaal achter deze rampen? Wie kan ons helpen aan meer informatie over scheepsrampen en omgekomen vissermannen? Graag contact opnemen met Jan Veerman (alleen 's-avonds: telefoon 06-22365356) of met de redactie (e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.).

8ewoŒe uvunelding
De redactie van de Ratel en de commissie Huizer Dialect kennen hierbij op grond van bewezen prestaties en verdiensten de eretitel 'Kenner van het Huizer dialect' toe aan:
Mevrouw Henny van der Tol
Mevrouw Van der Tol treedt hiermee toe tot het selecte gezelschap: 'Kenners van 't Huizers'.

kVAN DE DIALECT WERKGROEP
Allereerst de betekenis van de Huizer woorden uit de vorige Ratel: berappen = aankunnen, zich kunnen permitteren (betalen) snôbbig = zielig, jammerlijk, sneu kwanig = amper, nauwelijks oëta = opoe, grootmoeder horewoest = erg kwaad, door het dolle heen.
Uit de goede inzendingen is mevrouw Henny van der Tol (Colijnlaan) getrokken voor de eervolle vermelding van Kenner van het Huizer Dialect. Zij verdient deze vermelding met lof, want zij had zelfs van de bovenstaande woorden een geheel gemaakt:
Oëta is snobbig, ze kan het kwanig berappen, ze is horewoest.
De eervolle vermelding vindt u elders in dit blad. Voor de volgende Ratel mag u zich buigen over de betekenis van de volgende dialectwoorden:
wéël, ammar, Ôpëprongd, dessel, roëker
U kunt uw oplossing naar de redactie van de Ratel zenden of naar ondergetekende.
Ineke van Herwerden